Aalmoes uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Terwijl hij boven van schoeisel wisselde, hoorde hij beneden druistigwoord den buitendeurklopper kletteren. Hij luisterde gespitst op. KatrijneKatrijne opende den bezoeker. Een indringende mannenstem lamenteerdewoord langdurig en dusdanig, dat KatrijneKatrijne niet aan 't woord kon raken. …Er zal een ramp gebeurd zijn, giste Pastoor PonckePoncke en met een gespschoen en een pantoffel aan vertoonde hij zich bovenaan de trap.

— O, Mijn-Heer Pastoor, o Mijn-Heer Pastoor, kom toch!, jammerde de man, een gore, struischewoord, stoppelbaardige vijftiger, in de luidelijke gang.

Bedaard, mijn vriend, wees gerust, ik kom reeds, suste Pastoor PonckePoncke warm en daalde en bij den man gekomen sprak hij:

— Waarmee kan ik u bijstaan, mijn vriend? Uw wijfwoord krankwoord? Uw kind krankwoord?

— Ach, Mijn-Heer Pastoor, gij leeft in weelde, een aalmoeske asteblieft om de liefde Gods, mijn beerwoord groltwoord sedert vijf dagen en mijn bloot vel blinkt door mijne kleeren! Een aalmoeske, asteblieft om de liefde Gods!…

Pastoor PonckePoncke draaide zich om en bedachtzaam wenkte hij den bedelaar mede naar boven. Daar, ten overloop, legde hij den man de hand op de schouder en zeide:

— Mijn daadschuwe vriend, ge zijt vet en nergens zie ik uw bloot vel blinken. Neen, ik heb geen aalmoes voor u.Hodja

(bladzijde 43-44)

Dit verhaal is overgenomen uit de grote schat aan Hodjawiki-verhalen:
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl