een artikel uit De Standaard over PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Het literair getij

Pastoor Poncke, door Jan. H. Eekhout. Uitg. G. F. Callenbach, Nijkerk

„Voorzeker is Pastoor Poncke de meest zonderlinge zielehoeder geweest, die ooit in het goede van van Vlaanderen zijn bedrijf bedreef”, zeggen wij Eekhout na (bladzijde 5), wanneer wij het boek hebben dichtgeslagen en de lezing beëindigd van de levensgeschiedenis van een man, wiens naam met dien van het vlekske Damme voor altijd verbonden is. Inderdaad, hij was een wel zeer zonderlinge zielehoeder. „Een devoot man, een voortreffelijk priester, een vlijm realist zoo 't van noode scheen, en een merkwaardig en grillig filosoof. Als filosoof behoort men hem mogelijk te voegen bij de sofisten. Neen, beter is het, te zeggen dat hij was een droomer, een dichter en als dichter een speler. Pastoor Poncke was de dichter (de filosoof) van het schijnlijke. Uit deze houding sproten zijn eigenaardige daden voort. Hij be-leefde het schijnlijke, het groeide bij hem tot een onomstootelijke logische wezenlijkheid, wanneer de konsekwentie hem menigwerf schade bezorgde. Maar hij leed elk ongerief effen blijmoedig. Hij erkende nu eenmaal de wetten van het spel, hetwelk hij, als het ware passief, speelde met een geweldigen ernst — en zulks dus geheel anders dan de spotzuchtige Uilenspiegel, van wiens bloed ontegenzeggelijk iets brandde in het zijne” (bladzijde 7). Terecht schreef Baljuw Hemeryck aan Mijn-Heere Laresse, Rechtskundige binnen Gent in Vlaanderen: „Paap Poncke sprak - buiten de door hem beleden eerst en laatste Waarheid — zichzelve duizendwerven tegen en alls duizend keeren had hij nochtans het grootste gelijk van de wereld.” (bladzijde 140) Wij zouden niet durven zeggen, dat hij nimmer eenige ketterij gedebiteerd heeft, maar Pastoor Poncke was Pastoor Poncke, men moest hem nemen gelijk hij was. Wie zou den paap, die dagelijks op zijn ezel Socrates door de parochie reed, rijdend zijn brevieren las en zijne vermaningen uitdeelde, iets kwalijk kunnen nemen?; een groot kind was Pastoor Poncke. „De ezel Socrates wandelde statig voort. Pastoor Poncke prees diens loopwijs bijster nobel. Op hem zittend ervoert gij 't geenszins, dat gij ruiter waart; hij droeg u gelijk u een uitgelezen zetelstoel draagt; ge deindet amper en waart bijwijlen genegen het lijf lavei-zuchtig achterover te hellen en de oogen pleizierig te luiken en een tukske te snappen, gelijk hij het, een loomen zomerdag in vroom vertrouwen waagde — op poene van een tuimeling op de zandbaan” (bladzijde 27). Roovers (bladzijde 171-178) en zelfmoordenaars werden zijn vrienden, Voltaire-vorschende apothekers en even „modern”-denkende baljuwen, rijken en armen; Pastoor Poncke was een singulier mensch, die op even goeden voet stond met zijn koppige huishoudster als met zijn wijntjes, een drank wiens lof hij nimmer moede werd te zingen (bladzijde 42).

Het moet Eekhout een genoegen geweest zijn dit boek te schrijven, een boek met zooveel stille pret, met zooveel milde scherts en diepe levenswijsheid, een waardige tegenhanger tot Tijl Uilenspiegel, wiens avonturen zicht niet altijd onderscheidden door beschaving en wiens genoegens in zoo menig geval ten koste van anderen bedreven werden. Pastoor Poncke was een eenvoudige ziel, voorbestemd tot lyricus. En al moge het waar zijn, dat de werkelijkheid van het leven dikwijls anders is dan de illusie van Eekhouts verbeelding, het is een bewijs van zijn sterk talent, dat de hoofdfiguur van zijn boek, ondanks de bedenkingen, welke somtijds ten aanzien van zijn realiteit in ons mogen rijzen, nochtans tot een begrip, tot een symbool in ons is uitgegroeid. Moeten wij dit boek en Uilenspiegel zien als een reactie op een vroeger beleden pessimisme? Zoo fel en zoo spontaan, dat het allen reëlen vorm te buiten ging en juist daardoor gestalte kreeg? Pastoor Poncke zien wij als een belijdenis van Eekhout, Een belijdenis, die van bezonnenheid getuigt. Is dit al niet het gedachtenleven van den ouder geworden Eekhout zelf, het is wel het inzicht van den rijpen mensch, die een heimwee in zich voelt naar de berusting en de veiligheid van een leven, dat niet alleen aardsch is.

In al Eekhouts werken vinden wij in zekeren zin een autbiografische kern, die omwoeld is met beelden. Een overweldigende, uitspattende verbeelding heeft hij, die in zijn afgetrokkenheid in het Noorden tot steeds grooter eenvoud komt. De innerlijke subtiele ironie treedt meer en meer op den voorgrond en daardoor komt hij tot steeds zuiverder menschelijkheid. Het moge zijn hartstochtelijke drang zijn Vlaanderens eigen oorspronkelijkheid en eigen taal, verbonden, te beschermen en te ontwikkelen, zijn woordarabesken mogen soms zwaar en dicht dooreenranken, hoewel nimmer zóó dat het betooverde slot der schoonheid er achter verborgen raakt, Eekhout is toch allereerst dichter, dichter ook in zijn proza, en wat zou men van een poëet meer vragen dan dat hij een der brandenste harten van zijn tijd draagt en zijn werken leven doet met datzelfde leven? Deze Pastoor Poncke is een spròng uit de werkelijkheid in het rijk der verbeelding uit noodzaak, omdat het dagelijksch leven beklemt en eerst zin krijgt wanneer men het van hoogere regionen uit heeft leeren zien. Slechts een dichter is in staat ons den albasten droom van een kinderlijke ziel te geven, gaaf en zuiver. Maakt zoo eenerzijds een sfeer van wijsgeerigen humor de sterke bekoring van dit boek uit, anderzijds is het de gevoeligheid, die nimmer sentimenteel wordt, niettegenstaande Eekhouts ziel soms doorsnikt is van een bijna vrouwelijke weekheid. Het is zijn filosofische bezinning, welke steeds weer remmend en louterend werkt. Als hem een traan in het oog dreigt te komen, verschijnt er om zijn mond de bespiegelende glimlach van den peinzer, die het met de betrekkelijkheden van dit leven niet zoo zwaar schijnt te willen nemen, doch die ons niettemin in al zijn figuren een voortdurend zoeken naar verzoening tusschen leven en dood laat zien; tijd een eeuwigheid, zonde en genade en dat alles door de realiteit van een leven heen, dat uit zijn smarten zijn zegeningen baart en uit zijn zorgen zijn vrede. In de tegenstelling van het zoo bewogen en tragische leven van al zijn figuren — nauwelijks wordt het neergeschreven, maar ieder figuur symboliseert overduidelijk een hartstocht en vertelt van eigen ellende —, krijgt de persoon van Pastoor Poncke des te meer relief. Hij is mystisch, maar niet kosmisch. Hij verkleint als het ware het heelal, om aldus zoeter, inniger, stoorloos met God te kunnen verkeeren. Hij ziet de schepping, ieder onderdeel der schepping, ook zijn wijntje en ook zijn ezel Socrates, als een onmetelijke ritus, een eeredienst van God. Het is de kinderlijke gemeenzaamheid van den middeleeuwer, welke in Pastoor Poncke zoo bekoort. Hij alleen kan tijdens het brevieren bijkans in de sloot geraken, met zijn pijl zijn eigen toog doorschieten, den roovers een sermoen houden en voor Corneel de doodsklok laten luiden, hoewel hij nog in leven was. Hij alleen kon het bestaan aan een feestdisch een levend getuige van God te zijn en den apotheker voor te houden: „Nergens ter wereld zulk een onvervaard strijder voor God als Voltaire. Hij besteedde er zijn heele leven aan. Hij worstelde lijk Michaël ervoor. Ah, welk een vechter, deze Voltaire, welk een soldaat Gods! Poncke raaskalt, denkt ge, nietwaar, mijne Vrienden? Maar ik vraag u in gemoede: kan men ietwat bevechten, dat er niet is? God is voor de mallooten!, schreeuwt Voltaire. Ik zeg: Gewis, monsieur: God is voor de priesters!: Gewis, monsieur: God is voor de armen, die niets bezitten!: Gewis, monsieur: God is er voor de vorsten, die hem leep en tot eigen profijt het volk voortroeven;: Gewis, monsieur: God is voor de onmondige kinderen!: Gewis monsieur: God is voor de apothekers, die de onmacht hunner poederkens achter Hem versteken!: Gewis, monsieur.” Hij alleen kon de drie-eenheid Gods vergelijken met ijs, dat sneeuw is en ook water. Hij alleen kon „God een Poëet” noemen, „de grootste van al. En hij dicht in daden. Schouw de sterren — millioenen zilveren werelden.” Want Pastoor Poncke was zelf poeët (bedoeld is: poëet) en Eekhout in hem.

H. B.

(De Standaard, 24 oktober 1941)