Nog grauwde
de nacht over Damme
en Vlaanderen.
Nievers
roerde er entwat
noch leefde er eenig gerucht
te velde en binnen de veste
. Damme
sliep lijk
of het
nimmermeer ontwaken zoude, sliep, schier
versmolten
met de duisternis en erin verloren. Alleen den toren van de kerk
had de nacht niet te veroveren vermocht
; nachtelijker dan de
nacht stond hij, hoog en druistig
en geknot ten top, naar den
maanloozen hemel, alwaar het wemelde van witte werelden, die
de sterren zijn. De klok van het raadhuis klepte, de klanken zinderden
kort uit en het was nadien
als ware de stilte niet verstoord
geworden. Een ster versprong, stortte loodrecht in de
westelijke zwarte ruimte. toen was het, dat van den zeekant de
wind aanreed over de vlakten, een zacht ruischen, 'twelk de laag
over de meerschen en akkers zwevende voorjaarsnevelen licht
uiteenwoei — en oostwaarts scheen het een luttel
als ving het
donker te zwichten aan.
Maar boven Damme
trilden de sterren gelijk
tevoor.
Een weêr klepte mager de uurslag van het raadhuis, zweeg. De
wind voerde, pal hierop, een bijkans
eendere belklank aan, uit
een dorp entwaar
, zwak klinkend. In een popelboom
aan de
roerlooze Brugsche vaart
hief een merel den kop uit de borstveeren,
dook hem terug in de eigen warmte en een ding, een rat,