bladzijde << 14 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

bevredigd dat helmen van alzijdswoord opvangen in de oorgaten — en nu drumden eveneens de hennen kakelend het boogpoortje door, de ren binnen.

Pastoor PonckePoncke wierp de dekens terzij, bekruistewoord de borst en gleed de spondewoord uit. In zijn tot de wreven reikend blank slaaphemd, en blootsvoets, liep hij naar het hoekvenster. Enkele tellen pierdewoord hij in het vlammend rad van de zon, dat nipte op de kimstreep balanceerde. Daarna omvaamdewoord zijn blauwgrijze blik de meerschen en de gronden, waarover verspreid vlokken smoor dreven. Dat was Vlaanderen, het heerlijke, bijkanswoord heilige Vlaanderen! In de akkers wrochtwoord neerstig het wortelend en vruchtend zaad, het koren, het brood. Vlaanderen! Pastoor PonckePoncke sprak den landsnaam stil en in ootmoedige vereering uit en het was als zegde hij: God. Zijne oogen reisden van den bodem naar den wolkenloozen hemel en zacht zegde hij: God — en het leek als zegde hij: Vlaanderen.

Weer bekruistewoord hij zich, keerde af van het raam en goot uit de beblomdewoord kan op het kramakkelwoord waschtafeltje een forsche klaterende geul water in de teil. Hij wiesch zich, zijne gebaren belettend in het ovaal van de verschilferden, goud-omranden spiegel, staakte de handeling en bracht het aangezicht dicht bij het glas. Nauwkeurig monsterde hij, in louter eene opwelling, zijn weêrbeeld: den langwerpigen gelaatsvorm, zijn marbelrondewoord oogen, den langen, rechten, puntigen neus, de logge lippen, de lijnplooi weerzijds de kaken, kervig — bijkanswoord gelijkwoord mes-wondmalen — omneerloopend vanonder de jukbeenderen naar de smalle, gegleufde kin, de tanige huid, bespikkeld met eene menigte bleeke pokkeputten…

— Leelijk kleed, mottige stoffe, bevond hij mompelend, en tegelijkertijd de zegging betónend door met den wijsvingertop

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl