Katrijne
, knoop het voortaan hecht in uwe ooren, dat toog
noch
tonsuur
den priester uit-maken, maar het hart en de geest.
Vale.1
En Pastoor Poncke
verwijderde zich door en hof naar de
achterpoort, welke toegang bood tot den doodenhof der Dammenaren
en de kerk. Als
hij het kerkhof dweerschte
ontwaarde
hij
op het hoofdpad van de straat naar de kerk de rijke, gekapmantelde
gezusters Melanie en Roozeke Ruttaert
. Zij waren
steeds de eerste erbij om de vroegmis aan te hooren. Pastoor Poncke
was deze ijveraarsters des geloofs karig
genegen. Hij
kende de gezusters als de grootste kwezels
zijner parochie
. Voorals
Melanie
, de oudste, was hij ongezind. Voor Roozeke
voelde hij
milder. Dat Roozeke
kwezelde
, achtte hij niet zoozeer haar
schuld, dan wel de schuld van Melanie
. Roozeke
had gehuwd en
moeder van kinderen kunnen zijn, wanneer niet Melanie
heur
ermede
bemoeid hadde. Jaren weêrom had Rooze oprecht minne
gekoesterd jegens Mijn-Heer Koeckaert
, de stadsschrijver. Maar
Melanie
was waakzaam en elk billet doux van Mijn-Heer Koeckaert
had zij heur
listig vermeesterd. Klaar
uit jalouzije.
Pastoor Poncke
wist het uit Roozeke's
biecht
. En als
Melanie
eens heur
duistere ziel aan hem openlegde, met verzwijging van
hare handelingen jegens Roozeke
, had hij gepoogd op haar gemoed
te werken, aanvankelijk
met zachtheid, naderhand met
kantiger remedie, waarbij hij haar verzekerde, hoe er, 'laas, soms
vrouwelingen bestonden, die men betichten
kon, vijandinnen van
Gods lieve leven te zijn, onheilige maagdelijke maagden, die de
maagd nevens
heur
, vriendin of verwante, juist gelijk
gij het wilt,
tot verdorring doemden, eene verdorring zoo droef gelijk
het aan
den vijgeboom in de prilste der Testamenten (bedoeld is: Evangeliën) geschiedde
— in het
lest
geval met recht, in het eerste met helsch onrecht. Alle woor-