vervloog in het Nergens en bevond hij zich weder Poncke
te
wezen. Hij trok de hand van de klink en diepte uit den zijzak
zijner soutane
zijn zilveren snuifdoos te voorschijn, waarop de
Katherina
met heur
martelrad fijn-zinnig stond uitgeblutst,
beklopte het deksel met den wijsvingerknokkel, opende de
doos en vergastte zich op prise
. Pastoor Poncke
was een versnoekt
snuiver alhoewel hij menigwerf
tegen de snuif preekte, of
liever tegen de overmatige snuiverij. : — Snuif, o mijne beminde
parochianen
, soberlijk… gelijk
ik-zelve het zoo gaarne zoude
willen doen, verklaarde hij alsdan
. — Overmatigheid stamt van
den duivel en het is maar goed, dat mijn kleed mij schut. Gij
echter, beminde parochianen
, draagt dit schuttend kleed niet.
Weest dus op uw hoede en acht mij in dezen geen exempel
.
Sobrii estote et vigilate.
Houdt uwen geest helder en waakzaam.
Amen.
Na de dubbelprise
met behagen opgesnoven te hebben zonder dat
er eene niezing op volgde (puur een aangename kitteling omhoog
naar de hersenen), monsterde Pastoor Poncke
de lucht en de
groote blanke zomerwolk, die over hem vaarde… God zou heden
een schoonen
dag smeden. Labora sicut bonus miles Christi.1
Ik heb goeste
in mijn eike. En daarna tijg
ik te brevieren
, overlegde
Pastoor Poncke
bij zichzelve, terwijl hij de snuifdoos opbergde.
En hij betrad zijn moeshof.
Pastoor Poncke
verorberde zijn ontbijt gemeenlijk
in de keuken
en met Katrijne
als dischgenoote
.
Katrijne
vischte juist zijn eike uit den koperen moor toen hij voet
zette op den keukendrempel. Pastoor Poncke
liet zich neer op
zijne zate
.
— Katrijne-dochter
, de dag proeft aan het verhemelte lijk
wijn
van Champagne. Gij hebt deze wijnsoort nog nooit gesmaakt?