bladzijde << 24 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke legde het eierlepelke op het broodbord. Bedachtzaam herhaalde hij de opgaaf der maartewoord:

— Acht, KatrijneKatrijne —, acht… Curieus, uw acht. Hebben wij niet negen hennen in 't kot. Acht is geen negen. Nimmer verneem ik van uwe lippen, dat gij negen eikes geoogst hebt. Katrìjne! vorderde hij haar aandacht op.

KatrijneKatrijne keek hem ietwat onnoozel aan. Doch hij staarde langs haar heen als ontwaardde hij entwatwoord, voor geen ander dan voor hem zichtbaar, en sprak:

— Acht is geen negen. Er zouden nochtans aleens negen moeten zijn. Er schort hier entwatwoord. Eén dierwoord hennen, Katrijne-dochterKatrijne, mist de principaalste eigenschap der hennen. Bijaldienwoord is zij géén hen, doch een ander gedierte. Gij moet er eens op letten, KatrijneKatrijne, welk hoenwoord zoo snoodelijk te verzaken pleegtwoord. Ik kan geen vreemd gedierte dulden tusschen mijn pluimvee. Wie weet, wat voor perijkelen daarin schuilen. Het lijdt al geruimen tijd zoo. Het ontglipte mij evenwel. Ik zal er heden „Der Natueren Bloeme” van den wijstewiki aller Dammenarenwiki en alle Vlamingen, op na-pluizen, KatrijneKatrijne. En zien, welke maatregelen wij tegen het euvel zullen treffen.

Peinzendwoord voltooide Pastoor PonckePoncke de atewoord en peinzendwoord rees hij naderhand van zijn zatewoord, beiddewoord op KatrijneKatrijne, die hem zijn hoofddeksel haalde en langde mitsgaders zijn brevierwoord en ging alsdanwoord naar den stal.

Socrates-vriendSocrates, bejegende hij den ezel, — er duisteren onder Gods zon ontalligewoord problemen. Eén dierwoord raadselen drong zich zooseffenswoord eng aan mij op. Ik kan het vooralsnog niet tot in de kern ontblooten en ik wensch er ook u niet mede op het lijf te komen. Vergeten wij en tijgenwoord wij aan 't brevierenwoord, mijn Vriend. Pastoor PonckePoncke geleidde zijn rijbeest aan den teugel naar buiten en langs den achtergevel der pastorijwoord naar de zijpoort.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl