bladzijde << 28 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

de koolzwarte koddekespruik, een groet, door Pastoor PonckePoncke gelijkelijkwoord zwierig beantwoord.

— Eerwaarde, baste de BaljuwBaljuw van boven af.

— Mijn Vriend, bescheiddewoord Pastoor PonckePoncke. — Mijn Vriend, wat is er van uw believen?

— Een banket te mijnent in het verschiet, Eerwaarde.

— De schoonstewoord muzijk is mij de muzijk van lepels en teljorenwoord en roomerswoord, mijn Vriend.

— Ik weet het. Gij kent mijn keuken en kelder. Het wordt een uitzonderlijk festijn, ditmaal. Ik noodig u uit in naam mijner BaljuwinBaljuwin op komende week te Maandagavond. Zij viert haar naamdagwoord.

— Gaarne, gaarne, mijn Vriend. Verontschuldig mij: ik brevierwoord gelijkwoord gij ziet. Vale.(1)spreuken

— Nog een reizeke, bid ik u, Eerwaarde. De BaljuwinBaljuwin

— Ha-ja, groet de BaljuwinBaljuwin van mij, mijn Vriend.

— …zij hindert heurwoord aan een stofke, zij stroomt over van properiteitwoord. Zij gaf mij de boodschap voor u mede…

De BaljuwBaljuw aarzelde. Zijn zwarte blik smeulde.

— Danke, danke, sprak Pastoor PonckePoncke.

— …de boodschap, hernam de BaljuwBaljuw, inzake uw soutanewoord

— Een eere-dracht, Vriend, zegde Pastoor PonckePoncke niet zonder argwaan.

— …met vlekskes, vulde de BaljuwBaljuw aan. — Duidt het der BaljuwinBaljuwin niet in het booze en verschijn aan haren dischwoord in een andere soutanewoord, smeekt zij u als vrouw en vriendinne.

— Danke, mijn Vriend. De BaljuwinBaljuwin moge gerust zijn, murmelde Pastoor PonckePoncke zich verafscheidendwoord. — Allo SocratesSocrates.

SocratesSocrates flapte met één oor en trok verder. De weelderige huizingwoord der gezusters Melanie en Roozeke RuttaertRuttaert genaderd zijnde, sloeg Pastoor PonckePoncke de oogen op de latijnsche gebeden in zijn brevierwoord.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl