de koolzwarte koddekespruik, een groet, door Pastoor Poncke
gelijkelijk
zwierig beantwoord.
— Eerwaarde, baste de Baljuw
van boven af.
— Mijn Vriend, bescheidde
Pastoor Poncke
. — Mijn Vriend,
wat is er van uw believen?
— Een banket te mijnent in het verschiet, Eerwaarde.
— De schoonste
muzijk is mij de muzijk van lepels en teljoren
en roomers
, mijn Vriend.
— Ik weet het. Gij kent mijn keuken en kelder. Het wordt een
uitzonderlijk festijn, ditmaal. Ik noodig u uit in naam mijner
Baljuwin
op komende week te Maandagavond. Zij viert haar
naamdag
.
— Gaarne, gaarne, mijn Vriend. Verontschuldig mij: ik brevier
gelijk
gij ziet. Vale.(1)
— Nog een reizeke, bid ik u, Eerwaarde. De Baljuwin
…
— Ha-ja, groet de Baljuwin
van mij, mijn Vriend.
— …zij hindert heur
aan een stofke, zij stroomt over van
properiteit
. Zij gaf mij de boodschap voor u mede…
De Baljuw
aarzelde. Zijn zwarte blik smeulde.
— Danke, danke, sprak Pastoor Poncke
.
— …de boodschap, hernam de Baljuw
, inzake uw soutane
…
— Een eere-dracht, Vriend, zegde Pastoor Poncke
niet zonder
argwaan.
— …met vlekskes, vulde de Baljuw
aan. — Duidt het der
Baljuwin
niet in het booze en verschijn aan haren disch
in een
andere soutane
, smeekt zij u als vrouw en vriendinne.
— Danke, mijn Vriend. De Baljuwin
moge gerust zijn, murmelde
Pastoor Poncke
zich verafscheidend
. — Allo Socrates
.
Socrates
flapte met één oor en trok verder. De weelderige huizing
der gezusters Melanie en Roozeke Ruttaert
genaderd zijnde, sloeg
Pastoor Poncke
de oogen op de latijnsche gebeden in zijn brevier
.