bladzijde << 29 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Maar hij verdiepte zich er niet in. Zijn leus luidde: dat men tegen een veinzerij lijkwoord de RuttaertgezustersRuttaert haar pleegdenwoord zich met veinzerij wapenen moest: de vree bleef alsdanwoord in uw hart. Trouwens: Qui nescit dissimulare, nescit regnare.1spreuken Hij schouwdewoord het zonder te zien, hoe Melanie en RoozekeRuttaert elk voor een venster troonden, verslonden al lezend uit een omlederden foliantwoord de levens der gemarteliseerdewoord en boetvaardige Heiligen —, hoe zij, bij zijn voorbijkomen op SocratesSocrates, het hoofd een weinig hieven en uitloerden met de vurige intentie eenige innige bejegening van hem te mogen ontvangen.

…Spijtig van RoozekeRuttaert, dacht Pastoor PonckePoncke en hij gehoorzaamde bijkanswoord den aandrang haar alleen een kruiske te spillen. Hij was het huis voorbij en liet den brevierwoord dalen. Een mormelige hond kefte SocratesSocrates aan. Onrust reed efkes door SocratesSocrates, riedwoord Pastoor PonckePoncke en hij sprak:

Socrates-vriendSocrates, men belaagt slechts den boom, die de vruchten draagt.

Een stok-oud krom wijveke kapikkelde aan: Mieke MusschenschrikMieke bijgenaamd, de tooveres van Dammewiki.

— Ho, SocratesSocrates! Goe-morgen, MiekeMieke. Ik peinswoord juist van een snuifke te vattenwoord. Hebt ge goestingwoord?

— Asteblieft, Mijn-Heer Pastoor, snerpte MiekeMieke. — Snuif verjaagt en dood, maar niet den duivel. Hij tempteert mij weer zoo danig, Mijn-Heer Pastoor. De kinderen jagen hem mij telkens weêrom in 't lijf. Zeg het ze toch, dat ze mij met rust laten, anders raak ik hem nooit kwijt. Oei-oei, oei-oei. Hij is bloot lijkwoord een puidwoord, Mijn-Heer Pastoor. Zijn oogen zijn groen van venijn. Hij kruipt door mijne darmen naar mijn hoofd. Oei-oei, daar is hij weer (de stem van het vrouwke lispelde geheimzinnig). Ik ben zijn bruid, zegt hij, Mijn-Heer Pastoor. Ik ben schoonwoord, zegt hij.

29
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl