Maar hij verdiepte zich er niet in. Zijn leus luidde: dat men tegen
een veinzerij lijk
de Ruttaertgezusters
haar pleegden
zich met
veinzerij wapenen moest: de vree bleef alsdan
in uw hart.
Trouwens: Qui nescit dissimulare, nescit regnare.1
Hij schouwde
het zonder te zien, hoe Melanie en Roozeke
elk voor een venster
troonden, verslonden al lezend uit een omlederden foliant
de
levens der gemarteliseerde
en boetvaardige Heiligen —, hoe zij,
bij zijn voorbijkomen op Socrates
, het hoofd een weinig hieven
en uitloerden met de vurige intentie eenige innige bejegening van
hem te mogen ontvangen.
…Spijtig van Roozeke
, dacht Pastoor Poncke
en hij gehoorzaamde
bijkans
den aandrang haar alleen een kruiske te spillen.
Hij was het huis voorbij en liet den brevier
dalen. Een mormelige
hond kefte Socrates
aan. Onrust reed efkes door Socrates
, ried
Pastoor Poncke
en hij sprak:
— Socrates-vriend
, men belaagt slechts den boom, die de vruchten
draagt.
Een stok-oud krom wijveke kapikkelde aan: Mieke Musschenschrik
bijgenaamd, de tooveres van Damme
.
— Ho, Socrates
! Goe-morgen, Mieke
. Ik peins
juist van een
snuifke te vatten
. Hebt ge goesting
?
— Asteblieft, Mijn-Heer Pastoor, snerpte Mieke
. — Snuif verjaagt
en dood, maar niet den duivel. Hij tempteert mij weer zoo
danig, Mijn-Heer Pastoor. De kinderen jagen hem mij telkens
weêrom in 't lijf. Zeg het ze toch, dat ze mij met rust laten, anders
raak ik hem nooit kwijt. Oei-oei, oei-oei. Hij is bloot lijk
een puid
, Mijn-Heer Pastoor. Zijn oogen zijn groen van venijn.
Hij kruipt door mijne darmen naar mijn hoofd. Oei-oei, daar is
hij weer (de stem van het vrouwke lispelde geheimzinnig). Ik ben
zijn bruid, zegt hij, Mijn-Heer Pastoor. Ik ben schoon
, zegt hij.