bladzijde << 30 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Hij flooit mij des nachts: Me-lieveke. Ik ben zoo beducht, oei-oei, zoo beducht. Verjaag hem mij.

— Ik zàl, verzekerde Pastoor PonckePoncke het vervuilde MiekeMieke. — De snuif in deze doos, MiekeMieke, stamt uit het paradijs. Ten overvloede heb ik haar nog eens gewijd. Geen duivel is ertegen bestand. Hier. Grijp geduchtwoord toe, met duim en wijsvinger. Houdt uw hoofd ver achterover. Snuif diep, snuif gelijkwoord de ossen, MiekeMieke. Nies. Nies. Schoonwoord. Wèlwoord bekomewoord het u, MiekeMieke. Een beetje op mijnen toogwoord, dat is niemendalwoord. In naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Driemaal. Ho. Amen. Waar toeft thans uw duivel, MiekeMieke? In de hel, MiekeMieke. Voor zes weken in de hel. Zes weken kan hij u niet genakenwoord. Gij kunt de kinderen belachenwoord. En over zes weken vraag ge mij weder een snuifke uit het paradijs. Nil desperandum.1spreuken Tot wederomziens.

En Pastoor PonckePoncke verliet het van den droes bevrijd vrouwke, verzuimend zelve een snuifke te genieten.

Voor de pricipaalste herberg der stede, „Het Hof van Batavia”, stond de postwagen op Bruggewiki reewoord tot afreis. De postillonwoord blies op zijn koperen hoorn schel de allerlaatste verwittigingwoord, 'tgeen SocratesSocrates te nopenwoord scheen den gang ietwat te verzeerderen en Pastoor PonckePoncke op zijn veurt de vermaning ontlokte:

Festina lente2spreuken, mijn Vriend. Geluiden moorden niet. Dammewiki is geen lichtzinnig JerichoJozua 2:1. Ei, SocratesSocrates, de Notaris VercuyckVercuyck stijgt nog nipte ter koetse. Hij zag ons niet. Al meer en meerder gelijkt hij een rif, mijn Vriend. Stap voor stap vergezelt hem de Dood. Hij is zoo bloedeloos lijkwoord het perkament, waarop hij zijne testamenten vastlegt met den veder. Hij was al zijn leven schuw voor Octoberwater. Dit bekoopt hij heden. Wijn schept bloed. Dozijnen keeren prentte ik hem zulks in. Wanneer hij in zijne

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl