Hij flooit mij des nachts: Me-lieveke. Ik ben zoo beducht, oei-oei, zoo beducht. Verjaag hem mij.
— Ik zàl, verzekerde Pastoor Poncke
het vervuilde Mieke
.
— De snuif in deze doos, Mieke
, stamt uit het paradijs. Ten
overvloede heb ik haar nog eens gewijd. Geen duivel is ertegen
bestand. Hier. Grijp geducht
toe, met duim en wijsvinger. Houdt
uw hoofd ver achterover. Snuif diep, snuif gelijk
de ossen, Mieke
.
Nies. Nies. Schoon
. Wèl
bekome
het u, Mieke
. Een beetje op
mijnen toog
, dat is niemendal
. In naam des Vaders, des Zoons
en des Heiligen Geestes. Driemaal. Ho. Amen. Waar toeft thans
uw duivel, Mieke
? In de hel, Mieke
. Voor zes weken in de hel.
Zes weken kan hij u niet genaken
. Gij kunt de kinderen belachen
.
En over zes weken vraag ge mij weder een snuifke uit het
paradijs. Nil desperandum.1
Tot wederomziens.
En Pastoor Poncke
verliet het van den droes bevrijd vrouwke,
verzuimend zelve een snuifke te genieten.
Voor de pricipaalste herberg der stede, „Het Hof van Batavia”,
stond de postwagen op Brugge
ree
tot afreis. De postillon
blies
op zijn koperen hoorn schel de allerlaatste verwittiging
, 'tgeen
Socrates
te nopen
scheen den gang ietwat te verzeerderen en
Pastoor Poncke
op zijn veurt de vermaning ontlokte:
— Festina lente2
, mijn Vriend. Geluiden moorden niet. Damme
is geen lichtzinnig Jericho
. Ei, Socrates
, de Notaris Vercuyck
stijgt nog nipte ter koetse. Hij zag ons niet. Al meer en meerder
gelijkt hij een rif, mijn Vriend. Stap voor stap vergezelt hem de
Dood. Hij is zoo bloedeloos lijk
het perkament, waarop hij zijne
testamenten vastlegt met den veder. Hij was al zijn leven schuw
voor Octoberwater. Dit bekoopt hij heden. Wijn schept bloed.
Dozijnen keeren prentte ik hem zulks in. Wanneer hij in zijne