Socrates
voerde hem dwars een bloot veld over. Hij schudde
ontkennend het hoofd.
— Neen, bescheidde
hij, — ik ga daarheen waar Socrates
wil.
Vrede zij u, die de aarde bebouwt, aarde zijt en aarde eet.
En hij verzonk terug in zijn vorige aandacht — tot hij na een
wijle
van her uit de onttogendheid naar het ondermaansche ontwaakte
door een eigenaardige gewaarwording
, het almeteenen
tastend gissen, hoe er entwat
uit den haak gerocht
was met den
breviertocht
. En dan zàg hij zijn hachelijken toestand. Socrates
namentlijk had de voorste pooten neergeplant ten uitersten rand
eener versch en diep en steil afgegraven akkergracht en de leem
bezweek traag, doch duidelijk zichtbaar onder zijne hoeven en
kluitkens riezelden reeds omneer in het moerzwarte water.
Socrates
besefte voorzeker het gevaar en hield zich stijf en roerloos.
Hierin lag zijn eenig verweer. Men kan zijn noodlot niet
ontvlieden. Socrates
begreep dit secuur. En Pastoor Poncke
ging
het eveneens begrijpen en diens verzet uitte
zich in een schietgebed,
dat het zwak doorschichtte
: …Gij, die een gehangene
op uwe handen omhoogstuwdet, zoodat de strop werkeloos
wierd
, Moeder-Gods sta ons bij en redt mijnen toog
van een bezoedeling
…!
De bodem onder Socrates
zwichtte griffer. Grootere leemkluiten
pletsten in het water. …Accidit in puncto, quod non speratur in anno1
,
meende pastoor Poncke
, die in onbeweeglijkheid
Socrates
evenaarde. Plop! Een vette puid
joepte van de overzijde
de gracht in. De onverhoedsche gebeurtenis veroorzaakte bij
Socrates
zulk een verschot
, dat hij ruklings en half struikelend
achterwaarts sprong. Een geduchte
bonk leem scheurde af,
plompte log in de diepte. Doch Socrates
en Pastoor Poncke
, die
bijkans
uit het zadel gestort was, waren behouden.