— Si Deus pro nobi, quis contra nos?1
De Heere stuurde ons de
puid
en men moet dank weten te wijten aan een knecht Gods.
De daad bij het woord voegend, vingerde Pastoor Poncke
uit zijn
zijzak twee halve sollekes
voor den dag en wierp ze de onder
water verzwonden vorsch toe, zeggende:
— Hier, mijn vriend, om koekskes voor te koopen.
Hij liet Socrates
keeren en gispte
onder het voortgaan:
— Gij zijt een ijdeltuit, Socrates
! Teneinde
de eigen schoonheid
— gij zijt schoon
, daar niet van, mijn Vriend —, teneinde
u
weerkaatst te weten in een waterspiegel en u in u te vermeien
,
biedt gij niet alleen u-zelf, maar ook mij, prijs aan een ongevraagd
modderbad. Zekerlijk mijn Vriend, modder heeft de beheptheid
ijzerdeelen in-te-houden, hetwelk bijvoorbeeld het flericijn
zeer
te stade komt. Maar ik lijd niet aan het flericijn
, Socrates
—, ik
lijd puur en rijkelijk aan de kwellingen van eksteroogen onderhevig,
waartegen barbier, chemist noch doctoor een radicaal
middel kent. Gansch
uwe doening
sproot dus voort uit belachelijke
eigenliefde, die u uwe taak veronachtzamen deed. Het
eenige wat gij bereikt hebt, mijn Vriend, is mij schokken in het
door mij op u gesteld vertrouwen. Stak de duivel zijnen doorn in
uw hart, Socrates
, en vergat hij het godsteeken op uwen rug? Ik
wil niet achterdochtig zijn, ik wil gelooven, dat gij efkes afweekt
van uwe devooren
— hetgeen elkendeen
geschieden kan, die een
grein openstaat voor onzalige inblazingen. Waakt voortaan,
Socrates
! Vigilate!2
Pastoor Poncke
zweeg, liet den teugel uit de linkerhand glippen:
voor Socrates
een gebaar van herwonnen vertrouwen. Den
labeurenden
, vraagreeën daggelder
genakend
, sprak hem Pastoor Poncke
welwillend: