ken. Elke lach en elk lied geldt den Heer-God een felle beê. Sint Franciscus
zou het u kunnen getuigen. De nachtegaal was ijverzuchtig
op hem, Sanderken
. Beloof mij nu, dat ge…
Sanderkens
monkeling
verstierf bereids
. Mat zegde hij:
— Gij hebt vlot spreken, Mijn-Heer Pastoor, maar hierbinnen
(Sanderken
wees op zijn borst) wroet het bitter. Ik peins
somtemets
…
Hij brak af, ontweek Pastoor Ponckes
blik.
— Tja, Sanderken
—, tja… Nochtans, het leven blìjft onveranderlijk
schoon
. Ontdek van her de schoonheid van het leven
en in uw hart zal goddelijke wijsheid bloeien.
— Ik, zegde Sanderken
zacht, — ik zal ernaar trachten, Mijn-Heer
Pastoor…
— Fiat, Sanderken
. Allo, Socrates
!
Pastoor Poncke
reede de armenwijk door. Behalve eenige slonzige
pagadders
, die in de goot speelden en een paar dwalende honden,
vertoonde zich geen ziel in de straat. Zoodra Pastoor Poncke
opdaagde hadden de over hunne halfdeurkens hangende klappeien
de wijk binnenshuis genomen. Pastoor Poncke
was een gevreesd
man, gevreesder dan de schoutrakkers
. Lijk
in een boetsermoen
kon hij het door hem betrapt luilakkend vrouwvolk hard
in het gemoed porren: — Ora et labora.
Bidt en slameurt
. Gij
verricht het een noch het ander, terwijl uwe venten hun eigen
voor u in het zweet beulen. Uw huishoud laat gij verkommeren.
De noen-ate
, op het allerleste
gekookt, is zwijns
-ate
en gij biedt
haar uwen huisman, sprekend: — Lebber met lust, kerel! Zoodoende
plaatst gij hem op eendere lijn met de zwijnen
. Zóó zijt
gij: de schand van mijn parochie
en een gruwel voor God. Wilt
gij, dat ik uw schand veropenlijk, met uwe namen erbij, voor het
aanschijn van geheel Damme
? Schrob uwe vloeren, kuisch
uwe