willigste punten geweest. 'Laas, is zulk een preek niet heel oirbaar.
Mijn parochianen
gingen haar scheef
uitrafelen en voortaan den
wijn instee
van God aanbidden. Niettemin smelten wijn en ziel,
voor mijn begrip, ineenen en het woord wijn wordt ontallige
werven
in den bijbelboek uitgesproken. Tja, ik kan mij het
paradijs niet droomen zonder wijn — niet in overmaat, natuurlijk.
Daarom begrijp ik de ongodisterij van den Baljuw
niet recht.
De Baljuw
weet de ontzaggelijke waarde ervan zoo diep gelijk
ik
haar weet. Wijn doet mij alsaan
peinzen
op de eeuwigheid en het
zou bij den Baljuw
toch ook alzoo moeten wezen. Ik zal hem
mijn gedacht vandaag of morgen onder de oogen stellen en het
zijne vernemen. Of ben ik ketterij aan 't uitkramen? Heere, vergeef
het mij dan! Mea culpa.1
Uit angst voor mogelijke ketterij ledigde Pastoor Poncke
het glas
in een rek en vestte hij zijn denken op tal van andere dingen -
tot Katrijne
hem naar de woonkamer riep voor het maal: stamppot
met saucijskens
. Als
Katrijne
den disch
afruimde vroeg zij
hem of hij thuisbleef.
— Zekerlijk, Katrijne-dochter
, en doe Socrates
het kerkhofweike
in, zoo ge wilt. Er zijn, bij mijn weten, geen kranken
, doopelingen
of iets van dien aard. Mijne pantoffels haal ik-zelve van de
slaapkamer. Ik heb gegeten gelijk
een bisschop
, kondde hij rechtrijzend.
Terwijl hij boven van schoeisel wisselde, hoorde hij beneden
druistig
den buitendeurklopper kletteren. Hij luisterde gespitst
op. Katrijne
opende den bezoeker. Een indringende mannenstem
lamenteerde
langdurig en dusdanig, dat Katrijne
niet aan 't
woord kon raken. …Er zal een ramp gebeurd zijn, giste
Pastoor Poncke
en met een gespschoen en een pantoffel aan vertoonde
hij zich bovenaan de trap.