bladzijde << 44 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— O, Mijn-Heer Pastoor, o Mijn-Heer Pastoor, kom toch!, jammerde de man, een gore, struischewoord, stoppelbaardige vijftiger, in de luidelijke gang.

Bedaard, mijn vriend, wees gerust, ik kom reeds, suste Pastoor PonckePoncke warm en daalde en bij den man gekomen sprak hij:

— Waarmee kan ik u bijstaan, mijn vriend? Uw wijfwoord krankwoord? Uw kind krankwoord?

— Ach, Mijn-Heer Pastoor, gij leeft in weelde, een aalmoeske asteblieft om de liefde Gods, mijn beerwoord groltwoord sedert vijf dagen en mijn bloot vel blinkt door mijne kleeren! Een aalmoeske, asteblieft om de liefde Gods!…

Pastoor PonckePoncke draaide zich om en bedachtzaam wenkte hij den bedelaar mede naar boven. Daar, ten overloop, legde hij den man de hand op de schouder en zeide:

— Mijn daadschuwe vriend, ge zijt vet en nergens zie ik uw bloot vel blinken. Neen, ik heb geen aalmoes voor u.Hodja

En hij ging de slaapkamer binnen en sloot de deur achter zich. De zwerver aanvaardde vermaledijdingwoord mompelend den terugweg. Pastoor PonckePoncke hoorde de voordeur dichtvallen. Hij reptewoord zich het raam aan den voorkant hoog op te schuiven en riep den vent aan:

— Hééla. mijn vriend!, het schiet mij te binnen, dat ik in uwen maag geen blik werpen kan en dat men het tot de mogelijkheden dient te rekenen, dat uw vel onder uwe kleeren warelijkwoord blinkt. Gij moet weten, dat ik Pastoor PonckePoncke ben — doch verbindt aan dien naam geene goudschatten. Ik raad u aan, den klopper te rammelen van de baljuwBaljuwhuizingwoord in de Reigerstraat. Zeg daar, dat ìk u zond en een belangrijke aalmoes is u gewis. Gode bevolen, mijn vriend.

Pastoor PonckePoncke liet het raam zakken, voltooide de her-schoeiïng en begaf zich naar de boekerijwoord, alwaar hij zijn steewoord innam van

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl