bladzijde << 56 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Hij sloot de deur, grendelde op den tast, schuifelde naar de trap, beklom de treden. Hij arriveerde op den overloop. Hij vernam KatrijneKatrijne.

— Eerwaarde, wat was het?

— Héé, niets, Katrijne-dochterKatrijne. Mijn kaars is uitgewaaid. Er was iemand om mijn sargiewoord. Hij moet schrikkelijk kou hebben geleden. Zoo raswoord hij de sargiewoord had is hij vertrokken, de arme.

— O, zuchtte de maartewoord opgelucht. — Eh…, zijt gij uw sargiewoord kwijt?

— Kwìjt, KatrijneKatrijne? Gij bezigt het juiste woord niet. Hetgeen men aan de armen kwijtwordt beduidtwoord immer groote winst voor de ziel. Ik heb, KatrijneKatrijne, onderrichte Pastoor PonckePoncke, — ik heb als mensch mijne naasten lief gelijkwoord mij-zelveLeviticus 19:18Matteus 22:39Marcus 12:31Romeinen 13:9Galaten 5:14Jakobus 2:8. Alzoo verlangt het God en niet anders. Een goede daad duldt geen uitstel. Ha, hier heb ik mijn deurknop. KatrijneKatrijne, goedennacht.Hodja

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl