bladzijde << 62 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

over de tijdelijkheid van het aardsche met als slot het zwarte einde: de dood —, loofde, naar aanleiding van deze argumenten, het leven en gewaagde ervan, hoe de BaljuwBaljuw, getuige het onderhavige festijn, het sublijme bediedwoord van het carpe diem1spreuken te doorpeilenwoord wist. Hij onderlijnde zijne beweringen met spitse gestes en zijn stem snerpte.

Hij oogstte bijval, frutselde bescheidenwoord aan zijne mouwlubben en loerde scheeflings een luttelwoord uittartend naar Pastoor PonckePoncke, wien de blokskes ossetong mondden en groote lust bekroop den zoojuist bij hem neergezetten rooden frontignac te smaken. Hij kon aan het laatste geen weerstand bieden en dronk. Hij achtte den wijn aangenaam te musqueerenwoord en mijmde de bevinding naar den overzijdschen BaljuwBaljuw. Hij prikte de teerlingskeswoord tong aan zijn zilveren vorketwoord en nam geen deel aan de losgesprongen dischgesprekkenwoord. De wijsheid, peinsdewoord hij, het gekebbel der stemmen beluisterend, waar boven uit de stem der BaljuwinBaljuwin wèlluiddewoord, heeft nimmer haast. Zij beidtwoord haar door God gestelden tijd. Zij is de laatste, die heurwoord roert, vermitswoord de laatsten de eersten zijn.

Gang na gang werd op het damastwoord bezorgd: reepkens reebout, gefarceerdewoord haas, pastei van duif, visch, eendvogel — alles verzeldwoord van weer andersoortige wijnen, doch nooit medocwijn, die de kenners terecht als fluts versmaden.

En de Eerste Schepene FonteyneFonteyne sprak, kort en aemechtigwoord. En de Notaris VercuyckVercuyck, droog en deftig. En Mijn-Heer KoeckaertKoeckaert, haperendwoord en benard zweetend en eindeloos en onsamenhangend. En alswoord Pastoor PonckePoncke naderhand nog geen woord uittewoord, dankte de BaljuwBaljuw de sprekers, en loenschend naar Pastoor PonckePoncke lispelde Mijn-Heer SpiessensSpiessens den Schepene FonteyneFonteyne entwatwoord van

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl