lompe onmanierlijkheid in het oor, waarop de Schepene
minzaam
loech
en hem bescheidde
met een: — Gij zijt zot
van zoo te denken,
Mijn-Heer Spiessens
…
Fruiten verschenen: guldelingen, reinetten, mei-zoeten, maagden, napolitanen, krieken, druiven, mandarijnkens.
Mijn-Heer Vercuyck
, de doorzichtige hand begeerig uitstrekkend
naar den fermsten sappigen peer en hem áánvattend, ontslipte
de vrucht, zoodat zij ter vloere gerold ware, hadde niet een toeschietende
dienaar haar in den val opgevangen. Hij was zinnens
Mijn-Heer Vercuyck
den peer te herreiken als
Pastoor Poncke
schielijk
onderschepte en hem in den palm bekwam
, en zeggend:
— Héé, hoe zelfs de onbezielde dingen den dood duchten en hem te ontvlieden pogen.
De disch
lachte, behoudens Mijn-Heer Vercuyck
, die, na de
schrale brauwen
lichtkens te hebben gefronst, effen
speurde naar
een anderen buit.
Klaterend lachte de Baljuwin
, schier
melodieerend. En zong van
den weerslag harer stem ievers
het kristal?
Pastoor Poncke
spoelde de stukskes peer door den gorgel met
pittigen chartreuse
, en pelde zuinig een mandarijnken.
Mijn-Heer Spiessens
schimpte op de Jesuïeten
met hunne onderduimsche
praktijken en besloot:
— …Meent gij niet met mij, Eerwaarde, dat zij de schandvlekken zijn der Kerk?
— Ik koester geenerlei meening hieromtrent, Mijn-Heer Spiessens
.
Het is te zeggen: gij hebt goede en kwade
onder het Gezelschap.
Doch ieder Jesuïet
, geloof mij, is een geleerde van belang.
Ik geef toe, dat zij misschien tè geletterd zijn. Veel weten
verduistert Gods gestalte aan het inwendig oog — dewijl
veel
weten in waarheid is, Mijn-Heer Spiessens
, — niemendal
weten.
Wie gelóóft durft te biechten
nìets te weten. Zeggen véél of àlles