dan, bid ik u, voor Katrijne
… Maar… wat hebt gìj op uw
schaalke, Mijn-Heer?
— Het geringste.
— Héé, wat laakt gij mìj dan? Gij hebt toch uw goesting
geoogst,
Mijn-Heer Spiessens
?
De Apotheker
neep
de lippen tegaar.
Pastoor Poncke
ging overeind staan.
— Silentium
, mijne Vrienden!, vergde hij.
De disch
verstilde.
— Mijn Vriend en Vriendin! Mijne Vrienden! Den heiligen Augustinus
gedachtig, die zegde, dat evenzeer als men nauwkeurig
acht geeft op de spijzen
, welke men gebruiken wil, men
overwegen moet wat men uiten
zal, alvòrens men spreekt, taal
ik eerst thans.
Me-Vrouwe Baljuwin
, niet genoegzaam valt in u de schranderheid
te roemen, dat gij uwen naamdag
viert op den huidigen
dag… na den grootsen Vasten. Bloeiend, Me-Vrouwe, zijt gij
nevens
uw aanmerkelijk ouderen gemaal, aangezeten. Ik zeg
„ouderen” — en ik vergis mij. Want de minne
des huwelijks
cijfert niet met jaren, doch met Eeuwigheden, nietwaar?
— Eeuwigheden, smaalde Mijn-Heer Spiessens
, — Voltaire
zegt…
— Mijn-Heer Spiessens
, gij stremt mijn betoog — ik duid u dit
niet te kwade
. Totterboord zijt gij vol van Voltaire
— en kent
hem nochtans pooverlijk
… Ik weet wel: neque enim disputari sine reprehensione potest.1
De Apotheker
veerde strak, wilde opstuiven.
— Niet gìj, ìk voer het woord, Mijn-Heer Spiessens
, bidde ik u.
Uw Voltaire
— weet gij, dat ik hem eerbiedig? Is hìj niet een
man van moed, vermits
hij veelal ratelt met de eigen tong, wat