bladzijde << 65 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

dan, bid ik u, voor KatrijneKatrijne… Maar… wat hebt gìj op uw schaalke, Mijn-Heer?

— Het geringste.

— Héé, wat laakt gij mìj dan? Gij hebt toch uw goestingwoord geoogst, Mijn-Heer SpiessensSpiessens?

De ApothekerSpiessens neepwoord de lippen tegaar.

Pastoor PonckePoncke ging overeind staan.

Silentiumspreuken, mijne Vrienden!, vergde hij.

De dischwoord verstilde.

— Mijn Vriend en Vriendin! Mijne Vrienden! Den heiligen AugustinusAugustinus gedachtig, die zegde, dat evenzeer als men nauwkeurig acht geeft op de spijzenwoord, welke men gebruiken wil, men overwegen moet wat men uitenwoord zal, alvòrens men spreekt, taalwoord ik eerst thans.

Me-Vrouwe BaljuwinBaljuwin, niet genoegzaam valt in u de schranderheid te roemen, dat gij uwen naamdagwoord viert op den huidigen dag… na den grootsen Vasten. Bloeiend, Me-Vrouwe, zijt gij nevenswoord uw aanmerkelijk ouderen gemaal, aangezeten. Ik zeg „ouderen” — en ik vergis mij. Want de minnewoord des huwelijks cijfert niet met jaren, doch met Eeuwigheden, nietwaar?

— Eeuwigheden, smaalde Mijn-Heer SpiessensSpiessens, — Voltairewiki zegt…

Mijn-Heer SpiessensSpiessens, gij stremt mijn betoog — ik duid u dit niet te kwadewoord. Totterboord zijt gij vol van Voltairewiki — en kent hem nochtans pooverlijkwoord… Ik weet wel: neque enim disputari sine reprehensione potest.1spreuken

De ApothekerSpiessens veerde strak, wilde opstuiven.

— Niet gìj, ìk voer het woord, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, bidde ik u. Uw Voltairewiki — weet gij, dat ik hem eerbiedig? Is hìj niet een man van moed, vermitswoord hij veelal ratelt met de eigen tong, wat

65
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl