het vermogen der lucht, pressie
uit te oefenen op het ding; hij
doorboorde het Al, hij stéég, gestuwd door de onnoemelijke
vaart, welke mensch en wapen hem in-zond. Hij zoude nóóit ofte
nìmmer wederkeeren!
Vrienden, dit besef deed mij zwijmelen… Gelijk
een tastbare
boodschap van de aarde der menschen zou mijn pijl hemel en
God-zelve bereiken. Sic itur ad astra.1
Maar nòg beidde
ik.
Twee stonden
aaneen spiedde
ik den hemel af op het geschatte
punt. Géén streepke, géén pijl! Nooit was ik bewogener in het
hart, nooit gelukkiger. Ik weet niet meer, hoe ik uit den toren in
de pastorij
ben beland.
Edoch, Benedictus Poncke
is een voorzichtig man, zoo voorzichtig
gelijk
de tegenwoordige paus van Rome met een mirakel
.
Tien dagen lang vroeg ik ieder kind, van bemel tot bengel: hebt
gij, of één uwer, ongeveer dáár en dáár een pijl gevonden? Neen?
Welaan, deze stuiver wordt de uwe, wanneer gij den pijl te ontdekken
weet en hem mij op de pastorij
brengt.
Mijne goede Vrienden: niet één der kinderen kwam mij het begeerde
bieden! Ik wist voorgoed: dàt is de Eeuwigheid: een pijl
ten hemel schieten, die geen aardsch oog meer waarnemen zal.
Wie uwer twijfelt er thans nog aan de Eeuwigheid?, besloot
Pastoor Poncke
triomfant.
— Uw pijl, eerwaarde, keft voorzichtig Mijn-Heer Spiessens
ertusschen, — wie vertelt u, dat hij tòch niet is gevonden, door
iemand anders, man of vrouw…
— Man of vrouw had haar mij onverwijld
doen geworden, want
elk mijner pijlen voert als afschrift mijn naam! (Er waarde almeteens
iets van droefenis in zijn stem en gelaatsuitdrukking)
— Of waart gìj wellicht de vinder… ?