Men lachte.
Gelijk
een lied loech
de Baljuwin
.
— Uw bescheid,
Mijn-Heer Spiessens
… ?, baste de Baljuw
.
De Apotheker
schokte met de schouders, monkelde
zuur.
— Welnu dan!, zegevierde Pastoor Poncke
. — Waarom làcht
ge, mijne Vrienden? Er valt niemendal
te belachten
. Belacht
men
het Eeuwige? Moet ik vóórtspreken?
Stilte keerde.
— Wie de ruimte van het Heelal verstaat, verstaat God — gij
ziet er geen spoor van een rif aan, nietwaar? En nu pleegt
Poncke
gemeenlijk
eerder te gelooven in wat hij nìet schouwt
, dan in hetgeen
hij wèl schouwt
, weet ge! Wijden wij een dronk aan de
goddelijke Eeuwigheid! — Ad fundum!1
Hij zette zijn roomer
neder.
Zijn stem klom plots:
— Eeuwigheid. Ik wierd
haar gewaar
buìten mij-zelf, gelijk
ik
u aantoonde. Ik had haar tevens altijd waargenomen ìn mij. Juist
zóó, gelijk
de zuivere wederzijdsche minne
van man en vrouw
haar ervaart —; gelijk
gìj, Baljuw
en Baljuwin
, haar ervoert
sinds het mij was beschoren uwe echtverbintenis uit Gods heiligen
Naam te bezegelen. En zoudt gìj, mijn Baljuw
, dan vermogen
te
sterven zònder God? Enkellijk de satan beeldt zich zulks in —
niet gìj. Neen, niet gìj.
Ha, hoe gij gebeiden fleurt! De Eeuwigheid wischte den tijd en
schept jeugd. Naar ziel en hart zijt gij, mijn Vriend, permintelijk
zoo pril gelijk
uw gade. Ziehier het ontzaggelijk mirakel
der
minne
, die Eeuwigheid is. Een dronk op deze minne
, mijne
Vrienden!
Danke. Zegde ik zooseffens
niet, dat ik de Eeuwigheid méde