bladzijde << 69 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Men lachte.

Gelijkwoord een lied loechwoord de BaljuwinBaljuwin.

— Uw bescheid,woord Mijn-Heer SpiessensSpiessens… ?, baste de BaljuwBaljuw.

De ApothekerSpiessens schokte met de schouders, monkeldewoord zuur.

— Welnu dan!, zegevierde Pastoor PonckePoncke. — Waarom làcht ge, mijne Vrienden? Er valt niemendalwoord te belachtenwoord. Belachtwoord men het Eeuwige? Moet ik vóórtspreken?

Stilte keerde.

— Wie de ruimte van het Heelal verstaat, verstaat God — gij ziet er geen spoor van een rif aan, nietwaar? En nu pleegtwoord PonckePoncke gemeenlijkwoord eerder te gelooven in wat hij nìet schouwtwoord, dan in hetgeen hij wèl schouwtwoord, weet ge! Wijden wij een dronk aan de goddelijke Eeuwigheid! — Ad fundum!1spreuken

Hij zette zijn roomerwoord neder.

Zijn stem klom plots:

— Eeuwigheid. Ik wierdwoord haar gewaarwoord buìten mij-zelf, gelijkwoord ik u aantoonde. Ik had haar tevens altijd waargenomen ìn mij. Juist zóó, gelijkwoord de zuivere wederzijdsche minnewoord van man en vrouw haar ervaart —; gelijkwoord gìj, BaljuwBaljuw en BaljuwinBaljuwin, haar ervoert sinds het mij was beschoren uwe echtverbintenis uit Gods heiligen Naam te bezegelen. En zoudt gìj, mijn BaljuwBaljuw, dan vermogenwoord te sterven zònder God? Enkellijk de satan beeldt zich zulks in — niet gìj. Neen, niet gìj.

Ha, hoe gij gebeiden fleurt! De Eeuwigheid wischte den tijd en schept jeugd. Naar ziel en hart zijt gij, mijn Vriend, permintelijk zoo pril gelijkwoord uw gade. Ziehier het ontzaggelijk mirakelwoord der minnewoord, die Eeuwigheid is. Een dronk op deze minnewoord, mijne Vrienden!

Danke. Zegde ik zooseffenswoord niet, dat ik de Eeuwigheid méde

69
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl