bladzijde << 70 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

binnen in mij te heemenwoord weet? En het is evenééns uit minneoorzaakwoord: de minnewoord van mijn wezen tot God.

Ook deze minnewoord verjeugdigt den minnaar. Bezichtig mij terdege, bidde ik u. Gelijkwoord ik hier vóór u rijs met mijne zestig jaren…

Mijn-Heer VercuyckVercuyck schraapte schrikkelijk de keel:

Verschooningwoord. Mijn memoriewoord raadplegend, herinner ik mij, dat vóór een groot jaar gij mij reeds verhaaldetwoord zestig jaren te torsenwoord

— Héé, Mijn-Heer VercuyckVercuyck, ik ontstrijd u dit niet. Maar een man is een man en woord is een woord. Hoe zoudt ge welwoord over mij peinzenwoord, wanneer ik thans solemneelwoord verklaarde één God te erkennen en u over een jaar zegde er negen op na te houden… ?

— Eh…, pareerde de NotarisVercuyck flauw.

— Nietwáár?, vond Pastoor PonckePonckeSilentiumspreuken, alstubelieft, mijne Vrienden! Gelijkwoord ik vóór u rijs met mijne zestig jaren, heb ik sedert vijftien jaren geen speldekop ingeboet aan peeskracht. Zulks wierdwoord mij helderwoord een week verleênwoord. Gij allen kent den meteoriet, welken ik benut teneindewoord mijn rij-dier vlotter te bestijgen. Welnu: vijftien jaren weêrom poogde ik den steen van den bodem te lichten — zònder resultaat. Gepasseerdewoord week trachtte ik het van her — zònder resultaat! Gij begrijpt, hoe contentwoord ik was!

Pastoor PonckePoncke zweeg, monkeldewoord zelfgenoegzaam.

— Ha, ik zie, en hoor, dat gij er even contentwoord over zijt als ik. Vriendschap veropenlijkt zich in innig mede-leven met den Vriend. Wijden wij een klinkdronk op mijne overwoestbare jeugdigheid. Danke, Vrienden. Ik heb gezegd. Amen. Permitteer mij de weelde.

Pastoor PonckePoncke priseerdewoord, hield in. Zijn blik haakte aan den roomerwoord van Mijn-Heer VercuyckVercuyck.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl