bladzijde << 73 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

de, verschoot hij een beetje van den eigen brand, streek met den rug van de linkerhand langs de oogen en zegde:

— Héé, wie spràk daar?: Ik? Homo sum et nihil humani a me alienum puto…1spreuken

Het was een der zwakste momenten in Pastoor Poncke'sPoncke leven en misschien tegelijkertijd een zijner sterkste.

Niemand loechwoord om zijne laatste uiting.

Mijn-Heer SpiessensSpiessens verschoof in ongemak op zijn stoel. Schepene FonteyneFonteyne goot, in één geut, de restwoord in zijn roomerwoord door de keel. Mijn-Heer Vercuyck'sVercuyck onderlip ging dieper omlaag en zijn mager egaal aangezicht leek nog egaler. Mijn-Heer KoeckaertKoeckaert betuurde zijne spitse vingertoppen. De lazuren oogen der BaljuwinBaljuwin bliktenwoord uiterst zacht naar Pastoor PonckePoncke.

Onwillekeurig hard, zegde de BaljuwBaljuw haar:

— Me-lieve, ge zijt ons nog steeds een muzijkstuk op het clavecijn schuldig!

De BaljuwinBaljuwin ruischte naar het clave-cimbel, preludeerdewoord en deed een romance broos klinken door de zaalruimte. De zoetheid ervan drukte Mijn-Heer KoeckaertKoeckaert, den Stadsschrijver, op de oogschelpen. Hij sloot ze, scheen met gewiegde ziel in te sluimeren. Schepene FonteyneFonteyne verkeerde in meer waakzamere verrukking en slaakte bij tusschenpoozen gedempt een bewonderend: — Hà, dat is schoonwoord… Ha!

Mijn-Heer SpiessensSpiessens had entwatwoord van een muis in scherpe luistering, terwijl Mijn-Heer VercuyckVercuyck zijne kaken nog holler in-zoog dan zij reeds van nature waren.

De BaljuwBaljuw bliktewoord fier den dischwoord over en bewoog, tusschen beide voorste vingers, speels bij den rildenwoord voet zijn wijnkelkwoord in schuifdraaiïng op het ammelakenwoord.

73
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl