bladzijde << 74 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Matelijk schommelde Pastoor PonckePoncke met het hoofd overent weder en hij had voorloopig geen gedachten.

Het laatste accoord der romance verzinderde.

Efkes waarde er stilte.

Dan klapte de Eerste Schepene FonteyneFonteyne bezeten in de handen en de anderen applaudiseerden met hem. Den StadsschrijverKoeckaert ging het hoofd met een ruk achterover. Hij sperde verwilderd de oogen en klapte opeenen het luidelijkste van al mede. Rijzend zegde Pastoor PonckePoncke:

— Mevrouw, schóónwoord vermeenwoord ik de vooiskenswoord van roomerswoord, lepels, vorkettenwoord en telooren, maar ook dìt was waarachtiglijk schoonwoord. Ik dank u en drink op uwe komst, Me-Vrouwe.

— Bis! Bis!, kreet de Schepene FonteyneFonteyne.

De BaljuwinBaljuwin neegwoord hoofschwoord van haar clavecijnkrukske, wendde heurwoord van her naar de toetsenreeks en tooverde een rappe gavottewoord. Alswoord zij eindigde opper Mijn-Heer FonteyneFonteyne:

— Mijn leeden zijn los en lijkwoord dansree geworden…, indien wij den Beerwoord eens…

Patiëntiewoord, SchepeneFonteyne! Alles op zijn tijd! Uw bokaalwoord staat al een halve stondewoord ijdelwoord, verwittigdewoord de BaljuwBaljuw hem.

De SchepeneFonteyne spoedde zich in te schenken.

Ondertusschen had de BaljuwinBaljuwin weder ten dischwoord plaats genomen. De StadsschrijverKoeckaert dommelde een beetje, schrok op buiten eigenlijke reden, spande zich in waak te blijven, mengde zich overnaarstig in de gesprekken omtrent dingen van politieken aard, nieuwstijdingen en wat dies meer zij.

— Ik hoorde deez' morgen, wist hij te berichten, — dat in de Abdijwoord van Maldeghemwiki, in de Kapelwoord nota bene de bliksem is ingeslagen.

— Slachtoffers…?, vraagde men hem.

De StadsschrijverKoeckaert ontkende.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl