bladzijde << 75 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Natuurlijk, beaamde Pastoor PonckePoncke. — En het is een groot geluk, dat het vuur juist in de Kapelwoord viel en niet in den refterwoord, anders had er aanzienlijk doodsrouw geheerscht op de Abdijwoord! Maar wat voert gìj uit, Notarius?

— Drinken, antwoordde de NotarisVercuyck, die tersluiks zijn waterkelkwoord met wijn had gevuld met de hem meest nabije bottelwoord — deze van PonckePoncke.

— Ha-maar…!, uittewoord Pastoor PonckePoncke.

De NotarisVercuyck ledigde den kelkwoord gezapig tot op de nagelproef, zegde dan droog:

— Gij wònt het pleit, dat is al.

— Danke, zegde PonckePoncke. — Ge hadt echter het mij toegemeten deel met vree kunnen laten. Vriend (Pastoor PonckePoncke wendde zich tot een dischdienaarwoord), een bottelkenwoord voor mij en een bottelkenwoord voor Mijn-Heer VercuyckVercuyck. Spáánschen, verstaat gij? En, Notarius, niet ìk won het pleit, doch, let wel, de wijn. Vrienden, hoog de bokalen! Vivat(1)spreuken den Notarius! Flukswoord zullen uwe wangen zich rooden, mijn Vriend!

Vivat(1)spreuken den Notarius!!, rumoerden de vierders.

— Nu den Beerwoord gedaan!, wilde Mijn-Heer FonteyneFonteyne.

— Ja, den Beerwoord! Den Beer!!, joelde men. — Me-Vrouwe de BaljuwinBaljuwin spele!… Kom, Eerwaarde.

— 'Laas, sprak PonckePoncke. — Non licet. Voor mij niet geoorloofd. Mijne likdorens…

— Likdoornkes…!, smaalde de ApothekerSpiessens. — Wilt gij spelbreker zijn?

— Likdoornkes…!, zegde Pastoor PonckePoncke den ApothekerSpiessens na.

— Likdoornkes… zoo peinstwoord gìj erover, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, gij, een halve Doctoor. Maar wat kennen Apothekers en Esculapenwoord van dat soortementwoord van kwelknobbelkens — louter het physische, niet het psychische. En dan de mìjne! Hun psychische

75
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl