bladzijde << 76 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

kant is kràchtig. Ze zijn geen gewone kwelknobbelkes, de mijne. Benaamwoord ze hel-knobbelkes en ge zijt er dicht bij. Eéniegelijk heeft zijn schutsengel en zijn kwelduivel. Mijn schutsengel is mij diep genegen: hij staat mijnen kwelduivel niet toe, verder aan mij te tornen dan het domein mijner buitenwaartsche teenen — de kleine bijaldienwoord. Maar de duivel houdt er danig huis, geloof mij. Och, ik laat hem betijenwoord en kners aleens, wanneer hij zijne luimenwoord het verbetenst botviert. Ha, maar hij kan aan mijne ziel niet takenwoord. En het brevierenwoord pleegwoord ik, tot zijne onmachtige woede, op mijnen SocratesSocrates

— Waarom benaamtwoord gij uwen ezel „SocratesSocrates”?, zong de stem der BaljuwinBaljuwin.

— Gij weet toch wel, Me-Vrouwe, dat hij niet gedoopt is?, gisptewoord Pastoor PonckePoncke haar licht.

Verschooningwoord, sprak Mijn-Heer VercuyckVercuyck, — betaamdewoord het u niet eerder te paard te rijden?

— Om welke reden, Notarius?

— Uit oorzaak van deemoed, dunkt het mij. — Acht gij den Heere Jezus niet uw meerdere? Ik geheugwoord mij, dat Christus op een ezelke naar Jerusalem reed en er Zijnen intocht maakte.

— Héé, mijn Vriend! Wie verluidtwoord u, dat ik, pooverewoord knecht des Heeren, naar Jerusalem ben gereden of rijden zal? Bruggewiki is steeds mijn verst afgelegen witwoord geweest en zal het blijven.

— Den Beerwoord!!, eischte de Schepene FonteyneFonteyne ongeduldig.

— Me-Vroùwe, boog de BaljuwBaljuw.

De BaljuwinBaljuwin schreed naar het instrument.

— …en de Eerwaardige PonckePoncke — zwijg, Mijn-Heer SpiessensSpiessens! —, heeft genoegzaam beweegredenen aangevoerd om vrij te wezen van dans, vervolgde de BaljuwBaljuw. — Den Beerwoord gevormd, kompanen!

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl