bladzijde << 77 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

En de mannen stelden zich achter elkander op en elk legde de handen op de schouders van zijnen voorman met als leidbeer de BaljuwBaljuw. Met logge beerstappen rochtenwoord zij in gang rond den dischwoord. Het clavecijn klinkelde onder de rilde vingeren der blonde BaljuwinBaljuwin. En vanaf zijne zatewoord dodeinde Pastoor PonckePoncke met het hoofd op de trage liedcadans.

Er was eens een beerwoord lijkwoord een huis. Hij verschoot lijkwoord de kat van een muis. En hij rende in één ruk, En dit was zijn geluk, De mijlen van Bruggewiki naar Sluyswiki. Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

Hij zeeg neer, in den nacht, op een plein. Daar vond hem een vrome bagijnwoord. Heurwoord hart wierdwoord lijkwoord pap. Zij schonk hem heurwoord napwoord En knoopte om zijn halske een lijn. Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

Al zwaarder dreunden de voeten der dansers op de eikene vloerkareelenwoord. De geestig wippende paruik van den ApothekerSpiessens, die de laatste was in de root, ontwolkte zichtbaar het poeder. Hij zong, de ApothekerSpiessens, vrouwelijk schel. Zwaar mannelijk zong de BaljuwBaljuw, wien de zware buik trilde en schudde.

77
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl