bladzijde << 79 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

De beerwoord werd te midnacht heel waak. Bagijnwoord zat, schierwoord dood van de vaakwoord, Aan 't kozijn van heurwoord raam, Beî de handen te zaam, En schichttewoord òp bij het minste gekraak… Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

Ik eet, sprak de beerwoord uit het bed, Opdat ik mijn schamel lijf redd', U, bagijnwoord, voor mijn maal, Al kauwt het wat kaal Op een vel en een been, en ònnet. Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

— Geen krimp!, kommandeerde de BaljuwBaljuw en hij wierp zich manhaftig op het zesde clauzeke:

De bagijnwoord baarde een gil lijkwoord een hoenwoord Sloeg een kruiske of zeventien toen En vroeg dan om een dans: 'k Ben nog rijklijk wat mans Met de zool op den vloer, zei ze koen. Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

— Het lestewoord!, schonk de BaljuwBaljuw de allengswoord vermoeid rakende heeren in uitzicht. — En avant!!

— Ik… ik…, hijgde Mijn-Heer KoeckaertKoeckaert.

79
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl