De beer
werd te midnacht heel waak.
Bagijn
zat, schier
dood van de vaak
,
Aan 't kozijn van heur
raam,
Beî de handen te zaam,
En schichtte
òp bij het minste gekraak…
Beer
! Beerken
!
Och-arme…
Ik eet, sprak de beer
uit het bed,
Opdat ik mijn schamel lijf redd',
U, bagijn
, voor mijn maal,
Al kauwt het wat kaal
Op een vel en een been, en ònnet.
Beer
! Beerken
!
Och-arme…
— Geen krimp!, kommandeerde de Baljuw
en hij wierp zich
manhaftig op het zesde clauzeke:
De bagijn
baarde een gil lijk
een hoen
Sloeg een kruiske of zeventien toen
En vroeg dan om een dans:
'k Ben nog rijklijk wat mans
Met de zool op den vloer, zei ze koen.
Beer
! Beerken
!
Och-arme…
— Het leste
!, schonk de Baljuw
de allengs
vermoeid rakende
heeren in uitzicht. — En avant!!
— Ik… ik…, hijgde Mijn-Heer Koeckaert
.