bladzijde << 80 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Klaasvent!, schold de BaljuwBaljuw in scherts. — Vooruit, BaljuwinBaljuwin!

En zij dansten een ronde tegaar. Dansten duizend ronden tegaar. Dansten jaren-aaneen. Dansten eeuwen-aaneen, En zijn nòg met dat dansen niet klaar!… Beerwoord! Beerkenwoord! Och-arme…

Het lied had uit. De dansers hernamen hunne steewoord, kwamen weder overeind alswoord de BaljuwinBaljuwin heurwoord verafscheiddewoord met een bevallige reverentiewoord:

— Pardonneer mij, Heeren!

De BaljuwBaljuw kuste haar op het voorhoofd:

— Goedennacht, Me-Lieve!

De BaljuwinBaljuwin verliet, 'lijk zwevend langs hare gasten, de feestzaal.

De StadsschrijverKoeckaert knipperde zonderling met de oogen en hij volhardde het langdurigst in de gebogen houding.

— De perignon!, wekte de bevelende stem des BaljuwsBaljuw hem uit den ban der bewondering. — Heeren, ik bewaarde dezen voor dit uur.

— Vergeef mij, ik kan niet meer…, puft den StadsschrijverKoeckaert, zich het aangezicht bettendewoord met een paarszijden neusdoek.

Truntenwoord, zegde de BaljuwBaljuw op raadhuistoon. — Champagnewijn verkwikt lijkwoord geen andere wijnen. Zij is een bad voor ziel, geest en lichaam.

— Vergiffenis, ik zwijmel…, smeekte de StadsschrijverKoeckaert.

— Een bàd, zeg ik, Mijn-Heer KoeckaertKoeckaert!, sprak de BaljuwBaljuw ge-

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl