Boos. Boozer. 't Boost. 't Riekt allegaar naar rozen met prikkels.
Gister was mij Katrijne
héél dul
gezind, ik bevat niet waarom.
Ik bekom
tijdens mijne breviering
een zwijnslever
ten geschenke.
Ge moet weten: ik ben verzot op lever van 't zwijn
; Katrijne
kookt ze mij en ik verorber de spijze
op brood met wat zout en
zij berokkent mij nimmer een nachtmare
. Mijn maag verteert
excellent, weet ge! Ik bekom
een halve zwijnslever
en de goede
vrouw, die mij haar aanbiedt, wil weten, hoe ik haar te eten pleeg
.
Ik verhaal
het haar: — Ha-neen, Mijn-Heer Pastoor, zegt zij,
— alzoo is hij niet het smakelijkst. Ik ken een recept, nog van
mijn overgrootmoêr… wacht, ik zal het u opschrijven voor
Katrijne
! De goede vrouw schrijft het mij op, ik vouw het bladje
in vieren, schik het zorgvuldig in mijn brevier
en rijd huiswaarts.
De ingewikkelde lever houd ik in de hand. Ik kom omtrent de
pastorij
en daar schiet een groote hond op mijn argeloosheid af,
joèpt, ontkaapt mij de lekkernij en vlucht er vandoor. Ik roep:
— Ho, ho, hier mijn lever weêrom! Ik roep om-niet. Dan kriebelt
mij een lach. Ik lach — wie zoude niet lachen, want, héé,
wat kan de hond met de zwijnslever
aanvangen
, daar het recept
veilig in mijn brevier
opgeborgen zit!… Ha, ha ha! Ik kom
thuis en doe Katrijne
relaas. Maar zìj làcht niet, néén. Zij kijkt
lijk
een donderwolk op het recept neer, dat ik haar in handen
gaf. Zij draait mij heuren
rug toe en werkt voor in haren keuken
en rammelt stug met potten en pannen… Ik herkende Katrijne
niet uit deze, hare handeling. Katrijne
heeft gemeenlijk
een tamelijk
zicht op zaken van logica… Tja, de vrouwen hebben heure
tuimen
tegen de mans. Zeg Eùlalie, zeg Kàtrijne — ze zijn per
slot allen eender oversopt, min of meer. Ik ben blij niet getrouwd
te zijn! Ik roem mij, gelùkkig te hebben geloot. Ik lootte namentlijk
destijds met mijnen broer-zaliger, wìe onzer koopman zou
worden en wie priester. Ik trok de priester. Och, Mijn-Heer