laatste bijkans
teloor. De huid is teeder, wazig schier
. De mond…
êh… de mond…
Pastoor Poncke
geeuwde.
— Héé, welk een slaap ik ineenen heb. Vrienden, ik moet naar
huis. Neen, zit waar gij gezeten zijt, ik vind mijnen weg zelve.
Baljuw
, ik dank u voor den avond. Het was mij aangenaam…
áángenaam. Ik dank u voor de wijnen en de spijzen
. Vrienden,
goênnacht!
Pastoor Poncke
schreed ter deure uit.
— Mijn tik
, mijn vriend, verzocht hij den haldienaar. — En
mijn stok. Danke. Ha-ja, ik zoude u moeten befooien. Goud, mijn
vriend, bezit ik niet. Ach, veracht het! Hoort naar de Heiligen Eusebius
,
die zegt: Goud en zilver verlokken en verleiden de
Waarheid, moorden de reinheid en de gerechtigheid, verraden
de trouw. Pecuniae oboediunt omnia.1
Hoed u daarom voor het
geld. Maar geest is oneindig waardevoller dan goud. Ik zegen u,
mijn vriend. Ei, wat wilt ge, Mijn-Heer Spiessens
?
— Het is tijd ook voor mij, ik verzel
u tot aan de pastorij
, Mijn-Heer
Pastoor.
De stem van den Apotheker
had iets smeekends.
Gaarne, mijn Vriend, gaarne. Hebt gij àl het uwe? Kom.
Pastoor Poncke
en de Apotheker
traden nevenseen
den nacht in.
De Apotheker
hulde zich enger in zijn overfrak
. Hunne stappen
galmden lijk
hol op de kasseiden
. De duisternis blauwde van
maanlicht. Vreemdig glansden de loodomlijste ruiten der huizingen
met heure
gekartelde, kort en scherpelijk op den bodem
uitschaduwende gevels. Ergens schreeuwde een kater.
— …Lijk een kind, dat vermoord wordt, dacht de Apotheker
luid-op.