bladzijde << 84 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

laatste bijkanswoord teloor. De huid is teeder, wazig schierwoord. De mond… êh… de mond…

Pastoor PonckePoncke geeuwde.

— Héé, welk een slaap ik ineenen heb. Vrienden, ik moet naar huis. Neen, zit waar gij gezeten zijt, ik vind mijnen weg zelve. BaljuwBaljuw, ik dank u voor den avond. Het was mij aangenaam… áángenaam. Ik dank u voor de wijnen en de spijzenwoord. Vrienden, goênnacht!

Pastoor PonckePoncke schreed ter deure uit.

— Mijn tikwoord, mijn vriend, verzocht hij den haldienaar. — En mijn stok. Danke. Ha-ja, ik zoude u moeten befooien. Goud, mijn vriend, bezit ik niet. Ach, veracht het! Hoort naar de Heiligen EusebiusEusebius, die zegt: Goud en zilver verlokken en verleiden de Waarheid, moorden de reinheid en de gerechtigheid, verraden de trouw. Pecuniae oboediunt omnia.1spreuken Hoed u daarom voor het geld. Maar geest is oneindig waardevoller dan goud. Ik zegen u, mijn vriend. Ei, wat wilt ge, Mijn-Heer SpiessensSpiessens?

— Het is tijd ook voor mij, ik verzelwoord u tot aan de pastorijwoord, Mijn-Heer Pastoor.

De stem van den ApothekerSpiessens had iets smeekends.

Gaarne, mijn Vriend, gaarne. Hebt gij àl het uwe? Kom.

Pastoor PonckePoncke en de ApothekerSpiessens traden nevenseenwoord den nacht in. De ApothekerSpiessens hulde zich enger in zijn overfrakwoord. Hunne stappen galmden lijkwoord hol op de kasseidenwoord. De duisternis blauwde van maanlicht. Vreemdig glansden de loodomlijste ruiten der huizingenwoord met heurewoord gekartelde, kort en scherpelijk op den bodem uitschaduwende gevels. Ergens schreeuwde een kater.

— …Lijk een kind, dat vermoord wordt, dacht de ApothekerSpiessens luid-op.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl