bladzijde << 85 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke achtte niet op de zegging. Na een wijlkenwoord stond hij stil:

— Een snuifke, mijn Vriend. Het is kil, er waart valling in de lucht.

Hij snoof breedvoerig.

— Hier, mijn Vriend, sla een prisewoord niet af.

Terwijl de ApothekerSpiessens zich bediende, strekte Pastoor PonckePoncke den rechterarm.:

— Zie, mijn Vriend, de nacht ligt zoo schoonwoord over de stede lijkwoord in een beschrijving van de Poëten. God is een Poëet, mijn Vriend. De grootste van al. En hij dicht in daden. Schouwwoord de sterren — millioenen zilveren werelden. Ha, ze zullen voorzeker bewoond zijn, de werelden der sterren. Met menschen gelijkwoord gij en ik. De Heilige Schrift vermeldt niets van dien aard — tenzij het Rijk der Hemelen erop duidt. Héé, waarom zou het alzoo niet zijn? Wijst gij naar beneden, wanneer gij spreekt over het Hemelrijk? Alles in den Bijbelboek staat zwaar van diepen zin, alle wetenschappen behelst hij, de verledene, de huidige, de toekomende. En de maan, mijn Vriend, zij zal eveneens bewoond zijn. Zijn hare vlekken niet bergen? God wrochtwoord naar één principe: te scheppen naar het Eigenen Beeld. Van sterren gesproken, wist gij dat Dammewiki een ster is? De gedaante van Dammewiki is een ster, de vestewoord heeft den vorm der sterren. Een oude kaart te mijnent toont het u. Spijtig dat de sterre-vorm sleet met de tijden. Dammewiki wierdwoord een verbrokkelde, doode ster. Maar nog buitenmate schoonwoord, mijn Vriend! Vooral thans, in den nacht. De middeneeuwen ademen er uit elken steen. Ik had willen leven in deze eeuwen van wonderbaarlijk Geloof en Kruistochten. 'Laas, ik leef nù, besloot Pastoor PonckePoncke mismoedig en weder voortloopend.

— Eerwaarde, ving de ApothekerSpiessens schuchter aan, — gij moet toch entwatwoord doen tegen uwe likdoorns, ik ken een remedie…

85
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl