God volvoerde eenen vroegen, machtigen
zomer over het
Vlaamsche land. Dagen aaneen scheen de hemel een
koepel van blauw staal, van waaruit de zon haar
zengende hitte neerjoeg over gronden, woonsten
en
menschen. De wind lag dood, de akkergrachten lagen ijdel
. De
aarde korstte hard gelijk
steen en barstte, tevergeefs dorstend
naar laving. De granen roerden met geen aar. Loodzwaar woog
alom de stilte, lijk
een ongenade.
De boeren lamenteerden
, klampten Pastoor Poncke
aan, zeggend:
— Ons koorn verkommert, de oogst zal bitter blijken, vaardig
alstublieft een ommegang uit door den buiten, gelijk
tien jaar
verleên
binst
zulk een eendere moordende droogte!
Pastoor Poncke
weifelde:
— Ik torn ongaarne aan Gods bestier
. Niet ùw, Zìjn wil geschiede,
gelijk
er geschreven staat: Gij beklaagt u over uwen
bodem, ìk kan mij beklagen over den mìjne. Zaagt
ge mijn lochting
,
ge sloegt de handen tezaam. Ik ben per slot boer als gij. En
ja, ik versta uw beslommering. Een ommegang echter: het is God
dwang berokkenen met man en macht. Ge zijt al te voorbarig.
Ik bespeur
nog niemendal
van wanhoop in uwe pupillen en ge
zijt nog niet grijs geworden van smart. Weet ge hoe ik handelen
zal? Ik sta, priester zijnde en Poncke
heetende, in vertrouwelijke