verbintenis met Ons-Heer. Mijn breviering
zal een plechtigen
ommegang vervangen. Ik zal op mijn Socrates
God vragen om
regen. Ik vlei mij, dat Ons-Heer mij gehoor spillen zal, mits gij
geen geheime doodzonde hebt bedreven. Overigens hebt gij uw
kruis in lijdzaamheid te torsen
. Crux ancora vitae.1
Amen.
Des anderendaags
toog Pastoor Poncke
erop uit, teneinde
God te
verbidden. Afwijkend van de gemeenlijke
route reed hij al de
koornvelden van het Damsche
langs, de hitte manhaftig braveerend
.
Zijn brevierboek had hij ditmaal niet vannoode.
: — Socrates
, had hij bij den afreis gezegd, — indien gij bidden
kunt, bid, bidde ik u. Gij, ezels, zijt onder de viervoetige dieren,
met den os en het schaap, uitverkorenenen des Heeren. Gij zijt tòch
gedoopt bijaldien
, niet door mijn hand, doch door den Heiligen
Geest. Gij zijt verduldigen van nature. In het tweevoudige naamt
gij, o Socrates
, het Kruis op u. Zoude ik u dan niet beter van hart
achten dan het meerendeel der menschen? Uw eenige fout is uw
koppigheid. Diergelijke
buien echter vallen bij u slechts schaarschelijk
voor. De menschen, mijn Vriend, zijn ìmmer halsstarrig.
Zij verstaan God niet, de menschen; hùn wil moet steeds de
voorste zijn. Och, Socrates
, eens was Benedict Poncke
juist gelijk
zij. Toen doorlaaide mij, wat ik benaam
: het Saulus-Paulusmoment
.
Het geschiedde in mijn theologantentijdperk. De
mensch, betweter in allerhand, mijn Vriend, weet van zichzelve
geen speldekop af. Hij loop vreemd in het eigen corpus. Ha,
Socrates-vriend
, toèn blìksemde het mij eensslags: ik ging Benedict Poncke
schouwen
in al zijne nietigheid en in al zijn verwatenheid.
Ik ontleedde mijn wezen gelijk
de anatomist
een doode
dompelaar
. Ik legde elk vezelke properkens
bloot. Hoe ik mij
alsdan
scháámde voor God, Socrates
! Ik had in een muizegat
willen kruipen voor eeuwig. Maar toen, doordien
ik mij-zelve