bladzijde << 91 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

zoo schamelkes wist, wierdwoord ik ganschwoord van God doorschoten. En ik zegde uit een vol hart, een luttelwoord later, mijn Vriend: Heer-God van daarboven, zie mij! Mijn netvlies is onttroebeld, gewasschen door Uwe onzichtbare Hand en ik dank U, Heer-God, in allen ootmoed voor deze onverdiende Genade. O Heer, sedert ik mij-zelve door-peil tot in mijne diepste afgronden (welk menschelijk schepsel heeft ze niet, Heer? — welk menschelijk schepsel is voor Lucifer onaanrandbaar?), — sinds ik mij-zelve doorzie, gebeuren alle dingen gelijkwoord Gìj ze wildet. Wanneer de dingen niet in Uwe palm lagen, dan, mijn God, zoude ook eenmaal gebeuren wat ik gewild heb! Wij gáán, mijn wijze Vriend!

Alzoo had Pastoor PonckePoncke getaaldwoord en hij had KatrijneKatrijne nog efkes toegeroepen, hem niet te verbeidenwoord met de middag-atewoord, daar hij voor een arbeid stond, die allesbehalve in een duimknip afgehandeld kon worden : — Regensmeeker zijn, Katrijne-dochterKatrijne, God als het ware vermùrwen, is geen kinderspel. Men moet er zijn heele ziel en geest bij inzetten. Zelfs zijn er — doch vrees niet voor mij,KatrijneKatrijne, die priester ben en mate belijd in schierwoord alles, nietwaar? —, zijn er perijkelen aan gekoppeld. Bedachtzaamheid is mij geboden. Bedenk, het gaat om entwatwoord als een wonderwerk, mijn dochter. Adieu.

Thans reed hij, ter plaatse van zijn taak, de smalle wegelingskeswoord over.

De stilte lastte op de wereld. Geen leeuwrik stortte zich uit het hart der velden naar het hart van den hemel en trillerde er, het scherpst menschenoog onttogen, God zijn onstuimigen lof. De hitte laaide, spijts de vroege voornoenstondewoord. En de zon steeg al hooger en vuurde almachtiger.

De schouders gekromd, de vingeren verstrengeld, bad de goede herder van Dammewiki. Loom, niet onfier nochtans, wandelde SocratesSocrates voort, de verlokkenste distels voorbij. Het was als be-

91
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl