bladzijde << 96 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

waart ge nergens een lommerdenwoord boom? 'Laas! Weet ge wat wij doen zullen? Een tijdeke verpoozen op de hoevewoord van dat snaphaanschot. In tien minuutjes arriveeren wij er, Socrates-vriendSocrates! SocratesSocrates stapte voort en naderhand den grachtdam over en het hof-erf op. Een hoenwoord, reê heurwoord ei-zuchtig in het stofzand te nestelen, stoof kakelend op pal voor zijne hoeven. Het deed SocratesSocrates verontwaardigd oorflappen.

Pastoor PonckePoncke stuurde SocratesSocrates het wagenkotwoord langs en de koestalling en de schuur en gebood dan:

— Ho. Hier, in dit slopke tusschen schuur en huizingwoord, moet ge braaf op mij beidenwoord, SocratesSocrates. Hopla — ge zijt van mijn vracht bevrijd. Achterwaarts, mijn Vriend —, achterwaarts. Prònt. Ge staat hier in de schaduwkoelte, en veilig lijkwoord een postuurke onder een stolp.

Monter schreed Pastoor PonckePoncke naar het woonhuis, duwde er de deur open en bevond zich onder de lage balkingen der keukenkamer, alwaar boer en bazin en zoon en twee forsche dochters en twee boeverswoord geschaard zaten rond den dampende noendischwoord.

— Goênmiddag voor elkendeenwoord!, wenschte Pastoor PonckePoncke.

Een mompeling behelsde de wedergroet — niets meerder. Het overdomperde Pastoor PonckePoncke. Hij bezag den boer, die dóór kauwde alsof geen parochiewoord-paapwoord zijn heemwoord had betreden en hij voelde een soort van vijandigheid muren tusschen hun gebeiden. …Héé, meende hij gegriefd, — welk een falikant welkom. Verduurde ik daarvoor een ganschenwoord uchtend de boosaardige hitte? Ondank is warelijkwoord 's werelds loon. De bazin heeft er geen schuld aan, zij verkeert in erg ongemak, evenals de zoon en de dochters. De boer is koning onder eigen dak. De koning toornt. Ware het niet, dat… En, ha, ik ben PonckePoncke, PònckePoncke, verstaat gij, boer? En PonckePoncke laat zich niet…

Pastoor PonckePoncke, wijdbeens in het midden der keuken op de

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl