grauwe kareelen
, gééuwde — geeuwde zeer ruchtig
.
— Zet u bij de buisstoof in den rietzetel, Mijn-Heer Pastoor…
vermat heur
de bazin na een mijden blik op den boer zijn houtene,
malcontent
wezen.
— Ik bèn reeds warm, bekende Pastoor Poncke
.
— De stoof is dood, zegde de boerin.
— Ah-zoo, antwoordde Pastoor Poncke
, maar verblééf waar hij
was en rocht
van her schrikkelijk aan het geeuwen.
— Gij gaapt zoo, Mijn-Heer Pastoor, ge zijt voorzeker moew, en
vat toch zate
, sprak de boerin schichtig.
— Dat gapen van mij, verklaarde Pastoor Poncke
luidelijk, —
heeft twee oorzaken. De eene oorzaak is de slaap en de andere de
honger — edoch, de slaap is het niet…
— Heere!, zuchtte de boerin hulpeloos.
Zij zocht naar steun bij hare dochters, bij den zoon.
— Vàder toch!, uitte
de oudste dochter.
— Alowies!, smeekte de boerin de boer.
De boer grolde
entwat
lijk
een beaming.
Opgelucht noodde de bazin:
— Dat Mijn-Heer Pastoor aanschuive, er is genoeg gelijk
Mijn-Heer
Pastoor ziet.
— Gaarne, zegde Pastoor Poncke
gretig. — Ik zou liegen wanneer
ik u kondde, dat mij de maag nìet bommelt. (hij zette zich,
bekwam
bord en vorket
en mes) Danke, jonge dochter. (hij bediende
zich van patatten met kool en spek, sloeg een kruiske en
verzonk in gebed, herbekruiste
zich) Dat het u allen en mij
smake. Maar alvóór ik aanvang
, verzoek ik u, u te geheugen
, dat
ik niet alléén ten uwent kwam: Socrates
droeg mij over uw dam,
hij staat buiten in het slopke en hongert, Mijns erachtens
, evenzeer
als zijn meester — en een akerken
putwijn zal hij niet versmaden.