bladzijde << 97 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

grauwe kareelenwoord, gééuwde — geeuwde zeer ruchtigwoord.

— Zet u bij de buisstoof in den rietzetel, Mijn-Heer Pastoor… vermat heurwoord de bazin na een mijden blik op den boer zijn houtene, malcontentwoord wezen.

— Ik bèn reeds warm, bekende Pastoor PonckePoncke.

— De stoof is dood, zegde de boerin.

— Ah-zoo, antwoordde Pastoor PonckePoncke, maar verblééf waar hij was en rochtwoord van her schrikkelijk aan het geeuwen.

— Gij gaapt zoo, Mijn-Heer Pastoor, ge zijt voorzeker moew, en vat toch zatewoord, sprak de boerin schichtig.

— Dat gapen van mij, verklaarde Pastoor PonckePoncke luidelijk, — heeft twee oorzaken. De eene oorzaak is de slaap en de andere de honger — edoch, de slaap is het niet…

— Heere!, zuchtte de boerin hulpeloos.

Zij zocht naar steun bij hare dochters, bij den zoon.

— Vàder toch!, uittewoord de oudste dochter.

— Alowies!, smeekte de boerin de boer.

De boer groldewoord entwatwoord lijkwoord een beaming.

Opgelucht noodde de bazin:

— Dat Mijn-Heer Pastoor aanschuive, er is genoeg gelijkwoord Mijn-Heer Pastoor ziet.

— Gaarne, zegde Pastoor PonckePoncke gretig. — Ik zou liegen wanneer ik u kondde, dat mij de maag nìet bommelt. (hij zette zich, bekwamwoord bord en vorketwoord en mes) Danke, jonge dochter. (hij bediende zich van patatten met kool en spek, sloeg een kruiske en verzonk in gebed, herbekruistewoord zich) Dat het u allen en mij smake. Maar alvóór ik aanvangwoord, verzoek ik u, u te geheugenwoord, dat ik niet alléén ten uwent kwam: SocratesSocrates droeg mij over uw dam, hij staat buiten in het slopke en hongert, Mijns erachtenswoord, evenzeer als zijn meester — en een akerkenwoord putwijn zal hij niet versmaden.

97
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl