bladzijde << 100 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Sy bedruypen de weyden der woestijne: ende de heuvelen zijn aengegordt met verheuginge.

De velden zijn bekleedt met kudden/ ende de dalen zijn bedeckt met koorn: sy juychen/ oock singensePsalmen 65:5.

Pastoor PonckePoncke verstomde. De groote klank van zijn stem scheen aldoor na te galmen onder de roode balkingen en de ontstane stilte zwaar geladen te houden. Pastoor PonckePoncke verkeerde lijkwoord in een onuitzeggelijke verrukking. Hij had de armen wijd-uiteen en halveling in de hoogte en zijne oogen glansden gelijkwoord bij verzaligden. Zijn geest toefde over het Damschewiki, over heel het Vlaamsche, zonder eenige beperking. Zijn hoorders bestonden hem niet: de boerin, die bijkanswoord weende, die boer, die hem lijkwoord onder betoovering star aanbliktewoord en niets dacht en alles dacht en een vreemdige zeerniswoord leed in de borst, een blijdschap, een droefenis, hij wist niet wat…

Pastoor Poncke'sPoncke armen gingen omneer, de glans in zijn oogen doofde een weinig, in zijn geest kromp een ontzaggelijke ruimte allengswoord tot, weze het vagelijk, de vier gekalkte wanden van een boerenkeukenkamer.

Dat is schóónwoord, dat is schóónwoord!, stamelde hij totzichzelve. En aangegrepen door een heiligen ijver, vattewoord hij zijnen tikwoord, welken hij op de leunstijl van zijn stoel gehangen had en beendewoord, zonder acht te geven op den boer en de zijnen, wijdschreeds naar buiten. En hij reed al henen, zich niet kunnende bezinnen, hoe hij op zijn ezel gerochtwoord was, wien een buselken klaver uit den bek bungelde, inderhaast nog gesnapt.

Pastoor PonckePoncke reed kronkelende wegen en wegelingenwoord, en bad, bad vuriger als ooit voor velden en boeren. De zon daverde hem op de schoêrenwoord. Hij bemerkte het niet. Het zweet droop hem tappelings langs het gelaat en hij zout beet in zijne oogranden

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl