bladzijde << 101 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

en zijne lippen barstten en zijn tong wierdwoord als leder. Hij bemerkte het niet.

De noenwoord vorderde.

SocratesSocrates sukkelde willig voort.

En dan wàs het daar. De koornstalen trilden, leefden —, de velden huiverden, bewogen, ritselden, ruischten… De adem van den wind vaarde aan, lichtkens aanvankelijkwoord, grooter nu reeds… Pastoor PonckePoncke keek op.

SócratesSocrates!, zegde hij zacht en dringend.

SocratesSocrates stond.

SócratesSocrates!, her-zegde hij luider. — Zìe, SocratesSocrates!

Hij strekte de armen steil opwaarts:

— Héér! Héér!!

In zijn oogen blonk de glans, haast een gloed, van voormaals. Zijn armen daalden en hij zuchtte diep van geluk. De wind, weelauw, woei hem sterker aan, de velden deinden. Aan den zuidooster einder balden wolken samen, wiesen breeder en hooger en grauwer, naderden… In de verte rommelde het.

SócratesSocrates, zie! Wij hebben het gewonnen. De régen, de régen… Gods voeten zullen druipen, de verdorste velden den dood verlaten, de boeren monkelenwoord. Wij versaagden niet, want God leest de haren, de wàre harten, ook het ùwe, mijn Vriend! Ontstel niet, het is Gods Stem slechts, die spreekt van de transen, geweldiger, immer geweldiger, hóórt gij wel? En dat flitsen, mijn Socrates-vriendSocrates? God moet toch zìen waar hij Zijnen regen neerzenden zal? En àlzijds stapelden de wolken zich. Héé, wij zullen nat worden! Maar ik schouwwoord, daar in dien beemdwoord, een stalleken. Reppenwoord wij ons, SocratesSocrates!

SocratesSocrates reptewoord zich.

Bij de beemdbaliewoord gekomen, steeg Pastoor PonckePoncke van Socrates'Socrates rug, lichtte het afsluitsel uit de wig en leidde het dier naar de

101
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl