bladzijde << 102 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

kramakkelewoord almhutwoord. Hij stietwoord de deur open: — Kom, SocratesSocrates! — sloot ze weder:

— We zijn veilig, mijn Vriend. Ai, welk een weerlicht! Ik ga voor dat vensterken staan, ik wil zien hoe het land verkwikt wordt. De zon is al verslokt door de wolken. Hoe schielijkwoord zulks zich afwikkelt! Ai mij, het vlamt mijne oogen bijkanswoord blind, dat licht — blijf gij in het deemsterwoord, SocratesSocrates. SocratesSocrates, hoor!, SocratesSocrates, zie: de régen, de régen! God redt den oogst! O gij kleingeloovigen van Dammewiki! Wat heb ik u gezegd, wat zegde ik u? Régen? Daar hèbt gij den regen! De gronden zwelgen ervan. Hosannah! De wind zwiept het water over de aarde lijkwoord uit honderdduizend fonteinen! Wat zegt ge nù nog, boeren van Dammewiki? Bliksems flitsten grelwoord, het zwerk ratelde, windvlagen en regen buischten. De hoevenwoord lagen lijkwoord achter een sluier en de Damschewiki stéde alzoo.

Pastoor PonckePoncke hernam:

— Een zondvloed. Permintelijk een zondvloedGenesis 9:11, SocratesSocrates! Ge zijt toch niet vervaardwoord? Er valt buiten Gods Wil geen muschken van een takMatteus 10:29, mijn Vriend. Deze zegswijze slaat tevens op de ezels, al zou men mij zulks, oppervlakkig gehoord, niet beamen. Hier zijn muschkens en ezels één. Héé, ik bedenk daar: het is maar heilzaamwoord dat Ons-Heer u, ezels, geen vleugels geschapen heeft. Stel u voor: er zoude geen dakpan gaaf blijven op de wereld… De wijsheid des Heeren zij hierom uitzonderlijk gepreezenHodja. Gij bevindt u toch niet onder den lekdrup?

Neen? Anderszins…

Pastoor PonckePoncke tuurde door het kobbenetwoord, vóór een der gebarsten ruitjes gesponnen, over het landschap. Het docht hem, dat het lichter wierdwoord en het onweer minderde.

— De donder drijft af, berichtte hij SocratesSocrates. — En er moet ieverswoord schofwoord in de wolken ontstaan en het regent zoo bar niet

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl