bladzijde << 105 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

De boom roerde zich niet.

SocratesSocrates, zegde Pastoor PonckePoncke spijtig, — het wil niet. Maar, héé, mijn Vriend, klaarde het hem, — als de boom niet tot PonckePoncke wil komen, gaat Poncke-zelvePoncke naar den boom — dat is opterminst een even groot wonder!

En Pastoor PonckePoncke voegde de daad bij het woord, tordwoord steil ten boom, en taaktewoord lijkwoord dreelendwoord de ruige, vochtige schors. Daarna keerde hij bij SocratesSocrates weêrom, haalde de koe-pikkel uit het stalleke en bezigde haar teneindewoord moeiteloos in het zadel te geraken.

— Naar huis, mijn Vriend.

De beemdwoord, drassig, sopte onder Socrates'Socrates hoeven. Zij bereikten den wegelwoord. Pastoor PonckePoncke vergat de baliewoord te sluiten, gulzig als zijne oogen zich vergastten aan het gezicht der alom glinsterende granen. Zij reden Dammewiki binnen. Pastoor PonckePoncke gevoelde zich fier en zijn wedergroet aan de passanten bezat, nevenswoord de gemeenlijkewoord minzaamheid, entwatwoord dat de parochianenwoord bijkanswoord bedeesde.

Bij het hofpoortje der pastorijwoord klom Pastoor PonckePoncke van SocratesSocrates af. Hij kwam met het dier binnen het eigen omhein, stapte meteenen tot over de gespschoenen in het water en sipte op zijn groenselveld, dat niet langer scheen te bestaan, want volledig blank stond van water.

— Héére, SocratesSocrates, stietwoord hij uit, — mijn veld is verloren!

Teleurstelling donkerde over Pastoor Poncke'sPoncke gelaat, verzwond ten deele. En zoo blijmoedig als hem moogelijk was, zegde hij tot God:

— Heer, hoe zoude ik U hiervan betichtenwoord? Wel hebt Gij in al te rijkelijken overvloed mijn veld met Uw regen gezegend, maar schuldig zijt Gìj nìet. Neen, niet gìj zijt hieraan schuldig, doch ik, Benedict PonckePoncke, die U dezen moeshof heeft aangewezen!

105
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl