bladzijde << 107 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

PASTOR BONUS II

Het oogstgetijde was aangebroken. De vrucht, gedijd tot volwaardigheid, zweek, lijkwoord met telkens een lichten zucht, onder de rustelooze zichtwoord. De zon mikte den pikkers heurwoord schichtenwoord tusschen de gekromde schoêrenwoord. Het stoorde de mannen niet in hun wrochtdriftwoord. Rèng, rèng. Het koorn moet af. De zon is zotwoord. Laat haar zotwoord zijn, laat haar plagen. Rèng. Wij lachen om de laaiïng. Zij deert ons geen zier. Wij zijn kloekaards. Hoor het vlijmwoord zingen! Rèng. Rèng. Vivan het vrouwvolk. Wijven zijn nijver van nature. Rèng. Dat Cordulake van Melsen BronckeCordulake is een djentwoord dingske, zij bindt mij alsaanwoord op de hielen en lonk-oogt als ik mij 't zweet uit de oogen strijk… Rèng. Rèng. Dat mijn MeeleMeele op kindbed ligt, juist nu, te midoogst… De boer vaart immer het beste: hìj heeft rijken oogst aan koorn, ìk aan de kinderen… Rèng. Maar wat jeremieerwoord ik… 't Koorn moet af. Rèng. Rèng.

Soms verliet een pikker het gelid, teneindewoord zijn zeisen te ontschaarden en het zethamerken tamptewoord òp van de gronden gelijkwoord een kersteklokje.

De vrouwen bandden de schoven, stuiktenwoord ze, kreten en lachebekten ondereen of naar de pikkers.

En dit leed alzoo van vroeg-uchtends tot avondval.

Pastoor PonckePoncke, door den wijden buiten brevierendwoord, liet menig-woord

107
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl