bladzijde << 109 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

belover steeds volmondig bij, — alhoewel louter den Heer-God de eere toekomt — soli Deo gloria1spreuken, nietwaar? — sla ik uw aanbod niet af. Ik eet gaarne ribbekes, gelijkwoord ge weet, saucijswoord en hespwoord. Reeds in 't vóór gedànkt, mijn vriend!

En Pastoor PonckePoncke becijferde, met heimelijk geneuchtwoord, het getal ribbekes, hespenwoord en saucijzen van zijn wintervoorraad en hoe de armen van Dammewiki daarvan hun eerlijk deel zouden ontvangen. En SocratesSocrates torstewoord hem andere velden langs, en andere beloften tegemoet.

Keerde Pastoor PonckePoncke eindelijk huiswaarts, dan richtte hij zijne route dusdanig in, dat hij bij het huizingskewoord van Sanderken TeirlinckSanderken belandde, alwaar hij eenige oogenblikken pleisterde, zonder het zadel te verlaten. Er viel met Sanderken TeirlinckSanderken geen garen te spinnen. SanderkenSanderken worstelde slechts slapkes tegen zijne innerlijke miserie vanwege zijn broers dood en het docht Pastoor PonckePoncke, allengswoord gemakkelijker regen te veroorzaken dan SanderkensSanderken ziel naar de zon te tillen.

Eens zegde Pastoor PonckePoncke hem:

Sanderken-vriendSanderken, ge vermagert tot op het gebeente, al kan men niet zeggen, dat gij ooit de Dikken van Pieter Brueghel ook maar in de verste verten benaderdet.

SanderkenSanderken klopte zich op de borst:

— Dat komt van hier-binnen, Mijn-Heer Pastoor…

SanderkenSanderken, wordt toch blijmoediger. Ge hebt maar naar buiten te oogen en de Vlaamsche aarde biedt zich u in ééne matelooze tinteling van licht en oogstland. Wanneer ìk dit schouwwoord, mijn vriend, loop mij het hart over van welligheid. Gij echter hebt u een zwarten bril op den neus geplant en zwart is u alles. Smijt dien bril in den zinkput. Hoe dikwijls moet ik u zulks nog raden?

109
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl