belover steeds volmondig bij, — alhoewel louter den Heer-God
de eere toekomt — soli Deo gloria1
, nietwaar? — sla ik uw aanbod
niet af. Ik eet gaarne ribbekes, gelijk
ge weet, saucijs
en hesp
.
Reeds in 't vóór gedànkt, mijn vriend!
En Pastoor Poncke
becijferde, met heimelijk geneucht
, het getal
ribbekes, hespen
en saucijzen van zijn wintervoorraad en hoe de
armen van Damme
daarvan hun eerlijk deel zouden ontvangen.
En Socrates
torste
hem andere velden langs, en andere beloften
tegemoet.
Keerde Pastoor Poncke
eindelijk huiswaarts, dan richtte hij zijne
route dusdanig in, dat hij bij het huizingske
van Sanderken Teirlinck
belandde, alwaar hij eenige oogenblikken pleisterde, zonder
het zadel te verlaten. Er viel met Sanderken Teirlinck
geen
garen te spinnen. Sanderken
worstelde slechts slapkes tegen zijne
innerlijke miserie vanwege zijn broers dood en het docht Pastoor Poncke
,
allengs
gemakkelijker regen te veroorzaken dan Sanderkens
ziel naar de zon te tillen.
Eens zegde Pastoor Poncke
hem:
— Sanderken-vriend
, ge vermagert tot op het gebeente, al kan
men niet zeggen, dat gij ooit de Dikken van Pieter Brueghel ook
maar in de verste verten benaderdet.
Sanderken
klopte zich op de borst:
— Dat komt van hier-binnen, Mijn-Heer Pastoor…
— Sanderken
, wordt toch blijmoediger. Ge hebt maar naar buiten
te oogen en de Vlaamsche aarde biedt zich u in ééne matelooze
tinteling van licht en oogstland. Wanneer ìk dit schouw
,
mijn vriend, loop mij het hart over van welligheid. Gij echter
hebt u een zwarten bril op den neus geplant en zwart is u alles.
Smijt dien bril in den zinkput. Hoe dikwijls moet ik u zulks nog
raden?