verdriet om Cyriel
te torsen
nevens
het Sanderken-deel
. …Verstaat
ge uw Pastoor, mijn vriend?
Sanderken
zegde niets.
— Gij verstaat mij, achtte Pastoor Poncke
. — Edoch, mijn
vriend, God heeft u voor kloeker bekeken dan gij in waarheid
zijt. En eveneens ik, Sanderken
. Ha, gij moest het u eene glorei
weten, dat de Heer-God zulk een vertrouwen in u stelt. Gij
moest uwe oogen ten hemel slaan en monkelen
: Heer, hier sta ik,
Sanderken Teirlinck
, en de vracht van mijn lijden trekt mij naar
U omhoog, want door al mijn droefenis heen, besef ik, dat ik U
help door mij stérk te houden gelijk
een Sint Christoffel
! Sànderken…
Sanderken
verroerde zich niet.
Pastoor Poncke
herzegde:
— Sànderken…!
Sanderken
schudde het hoofd en op zijne handen starend, mompelde
hij, als had Pastoor Poncke
louter in den wind gesproken:
— Ik en Mieke Marol
zijn de rampzaligste menschen van de
wereld.
Een lange stilte ontstond.
…Heer!, bad Pastoor Poncke
, — sta Sanderken
bij, alstubelieft!
Sanderken
boorde de naald in de bombazijnstof
, welke hij aan
het verwerken was, keek Pastoor Poncke
triest aan en zegde
uiterst ernstig:
— Gij moet eens bij Mieke
gaan, zij is krank
. Zij heeft niemand,
die zich om haar bekommert.
— Dat wist ik niet, Sanderken
. Braaf van u, dat ge mij er op
wijst. Ik bedenk thans, dat ik deerlijk in verzuim ben geweest. In
dagen ontmoette ik haar niet. Ge moogt mij betichten
, haar verwaarloosd
te hebben, Sanderken
. Ik ben zeer schuldig en, hope-