bladzijde << 111 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

verdriet om CyrielCyriel te torsenwoord nevenswoord het Sanderken-deelSanderken. …Verstaat ge uw Pastoor, mijn vriend?

SanderkenSanderken zegde niets.

— Gij verstaat mij, achtte Pastoor PonckePoncke. — Edoch, mijn vriend, God heeft u voor kloeker bekeken dan gij in waarheid zijt. En eveneens ik, SanderkenSanderken. Ha, gij moest het u eene glorei weten, dat de Heer-God zulk een vertrouwen in u stelt. Gij moest uwe oogen ten hemel slaan en monkelenwoord: Heer, hier sta ik, Sanderken TeirlinckSanderken, en de vracht van mijn lijden trekt mij naar U omhoog, want door al mijn droefenis heen, besef ik, dat ik U help door mij stérk te houden gelijkwoord een Sint ChristoffelChristoffel! Sànderken…

SanderkenSanderken verroerde zich niet.

Pastoor PonckePoncke herzegde:

— Sànderken…!

SanderkenSanderken schudde het hoofd en op zijne handen starend, mompelde hij, als had Pastoor PonckePoncke louter in den wind gesproken:

— Ik en Mieke MarolMieke zijn de rampzaligste menschen van de wereld.

Een lange stilte ontstond.

…Heer!, bad Pastoor PonckePoncke, — sta SanderkenSanderken bij, alstubelieft!

SanderkenSanderken boorde de naald in de bombazijnstofwoord, welke hij aan het verwerken was, keek Pastoor PonckePoncke triest aan en zegde uiterst ernstig:

— Gij moet eens bij MiekeMieke gaan, zij is krankwoord. Zij heeft niemand, die zich om haar bekommert.

— Dat wist ik niet, SanderkenSanderken. Braaf van u, dat ge mij er op wijst. Ik bedenk thans, dat ik deerlijk in verzuim ben geweest. In dagen ontmoette ik haar niet. Ge moogt mij betichtenwoord, haar verwaarloosd te hebben, SanderkenSanderken. Ik ben zeer schuldig en, hope-

111
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl