bladzijde << 113 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Ik zal hem verdrijven met een kwispel wijwater en heilige spreukzeggingen, MiekeMieke.

— 't Is dàt niet, 't is dàt niet, kwebbelde MiekeMieke eenigszins koppig. — Ik ben in groote vare voor den dood.

— Een mensch sterft zoo rapwoord niet, MiekeMieke —, alle sterven vangt gemeenlijkwoord aan met een waarlijke kranktewoord en gij zegt zelve, dat…

— Ik verschei over twee dagen, voorspelde MiekeMieke met stelligheid. — Ik ben daar zoo gewis van lijkwoord 'nen boom. Ik had een dróóm.

— Droomen zijn begoocheling.

— Een dóódsdroom nimmer, Mijn-Heer Pastoor. Ge kunt mij mijne wete niet ontrooven. Een doodsdroom nimmer, zeg ik u.

— Wat hebt ge dan gedroomd, MiekeMieke? Zoo, laat uw hand nu in de mijne, ik kan dan beter luisteren, MiekeMieke.

Het wijveke sloot de oogen, begon na een spannewoord:

— Ik zag mijn eigen in lijke. Ik lag in mijn schrijnwoord en het schrijnwoord stond overende nevenswoord de schapraaiwoord en ik stond vóór dat schrijnwoord. Hu, dat was zoo akelig. Ik geloof, dat het tegen avond gebeurde. En aan weerskanten van mij, waren er daar almeteenswoord twee: mij te linker Hendrik, te rechter de Engel. Hendrik had niemendalwoord aan het lijf en zijn vel blonk bloedrood en zijne oogen waren lijkwoord een koppel gloeiende bollekes van koper en zijn billen langbehaard en zijne voeten bokshoeven. Hij droeg een sikbaardeke, en horens op den kop. Hij was schoonwoord en nochtans leelijk. Maar héél schoonwoord was de Engel. Hij droeg witte kleeren tot op de wreven en twee eender lange zwaansvleugels op den rug en zijne haren waren blond gelijkwoord vlas, zijne blinkerswoord blauw lijkwoord de hemel en hij verspreidde eene witte heltewoord. : — Me-lieveke, zìet gij u?, lispelde Hendrik mij mild : — Ja-ik, Hendrik, zegde ik. : — Ach, ge zijt dood, me-lieveke, zegde Hendrik. : — Ja-ik, Hendrik, zegde ik. : — Ge zijt vervaardwoord, mijn zoete?, vraagde hij. : — Ja-

113
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl