Een droom doodde haar, een schijnlijk booze droom. Het blijkt
de schoonste
der droomen te zijn geweest. Finis coronat opus.
Het einde kroont het werk.
Het nonneke
murmelde.
Pastoor Poncke
verliet het huizingske
.
Drie dagen later wierd
Mieke
begraven.
Twee nonnekes
van het Sint Jan
sgasthuis verzelden
de uitvaar.
Pastoor Poncke
brevierde
voort door de dagen van oogstmaand
.
De vrucht was binnengehaald, de stoppelgronden vlakten onder
de zonnelucht, in een plots onaantrekkelijke blootte, welke
Pastoor Poncke
de vóór-oogstsche kortere tochten hernemen
deed. Hij arriveerde nu weer aanmerkelijk vroeger aan Sanderken Teirlinck's
woon, en sprak telkens langduriger met het snijderken,
in stijgende onrust verkeerend omtrent diens ziel. Maar
elk woord van hem sloeg teloor lijk
tegen een botten muur en
Sanderken
bleef de gevangene van zijn doffe ellende. En er kwam
van langsom entwat
schuws over Sanderken
alsof Pastoor Poncke's
bezoeken hem benarden en eens stiet
Sanderken
eruit:
— Laat mij met vree, astublieft, wat hierbinnen zit, ge krijgt het
er immers toch niet uit?
Doch Pastoor Poncke
liet niet van hem af. Het is een onnut herder,
die zijne kudde verwaarloost. Pastoor Poncke
was een herder
naar het hart van Ons-Heer. Uren lag hij des nachts slapeloos en
dubde erop, hoe Sanderken
morgen aan te pakken. Sanderkens
gemoed was hem een mysterie geworden. Hij poogde het te ontleden;
hij bevond dìt bij Sanderken
zóó te wezen en dìt dùsdanig.
Maar de geworven gewisheid bleek altijd weer falikant en onmachtig
een kentering te veroorzaken.
Een dag aan het einde van zomermaand
, zag Pastoor Poncke
,
Sanderkens
huis op een half boogschot afstands genaderd zijnde,