het manneken jachtig de baan
dweerschen
en het stoppelveld
overbeenen
. …Ei, vermeende
Pastoor Poncke
, wat heeft Sanderken
nu in den zin, ik geloof warempel, dat hij vliedt voor mijn
komst. En toen doorschichtte
het Pastoor Poncke
, dat over-akker
een brakke watering
van de Lieve vloeide en hij riekte ramp en
riep: — Sànderken!
Doch Sanderken
liet zich niet beroepen en verzeerderde van
gang, rocht
schier
in draving.
— Sànderken! Hééla, Sànderken!
Sanderken
hoorde niet.
…Domine! quid me vis facere?1
, vraagde Pastoor Poncke
.
: — Sanderken
redden, antwoordde God.
En meteen stond Pastoor Poncke
op het zand van de baan
, liet
Socrates
aan zijn lot over en stormde den akker op.
— Sanderken
!, schreeuwde Pastoor Poncke
. — In Godsnaam,
sta!!
Sanderken
blikte
om en ijlde verder alsof de baarlijke
satan hem
in Pastoor Poncke's
gedaante op de hielen zat. En Pastoor
Poncke rende lijk
hij het nooit in zijn leven gedaan had. Zijn
zolen daverden over de harde bultige aarde, zijn likdoorns
marteliseerden
hem lijk
beulen van de inquisitie
— hij achtte er
niet op. Zienderoogen won hij op het manneke, dank zij zijne
langere beenen en op een moment struikelde hij bijkans
over een
steen, wist zich overeind te houden. Hij verloor zijnen tik
. Het
ontging hem welhaast. Hij schouwde
niets dan het ventje, dat
verbeten voorwaarts joeg, met korte bewegingen van voeten en
armen, àl dichter de watering
genaakte
, àl dichter den dood toe.
Thans scheidden hem nog slechts een twintigtal schreden van
Sanderken
.
Hij voelde hoe hem de krachten begaven.