bladzijde << 120 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

het manneken jachtig de baanwoord dweerschenwoord en het stoppelveld overbeenenwoord. …Ei, vermeendewoord Pastoor PonckePoncke, wat heeft SanderkenSanderken nu in den zin, ik geloof warempel, dat hij vliedt voor mijn komst. En toen doorschichttewoord het Pastoor PonckePoncke, dat over-akker een brakke wateringwoord van de Lieve vloeide en hij riekte ramp en riep: — Sànderken!

Doch SanderkenSanderken liet zich niet beroepen en verzeerderde van gang, rochtwoord schierwoord in draving.

— Sànderken! Hééla, Sànderken!

SanderkenSanderken hoorde niet.

…Domine! quid me vis facere?1spreuken, vraagde Pastoor PonckePoncke.

: — SanderkenSanderken redden, antwoordde God.

En meteen stond Pastoor PonckePoncke op het zand van de baanwoord, liet SocratesSocrates aan zijn lot over en stormde den akker op.

SanderkenSanderken!, schreeuwde Pastoor PonckePoncke. — In Godsnaam, sta!!

SanderkenSanderken bliktewoord om en ijlde verder alsof de baarlijkewoord satan hem in Pastoor Poncke'sPoncke gedaante op de hielen zat. En Pastoor Poncke rende lijkwoord hij het nooit in zijn leven gedaan had. Zijn zolen daverden over de harde bultige aarde, zijn likdoorns marteliseerdenwoord hem lijkwoord beulen van de inquisitiewoord — hij achtte er niet op. Zienderoogen won hij op het manneke, dank zij zijne langere beenen en op een moment struikelde hij bijkanswoord over een steen, wist zich overeind te houden. Hij verloor zijnen tikwoord. Het ontging hem welhaast. Hij schouwdewoord niets dan het ventje, dat verbeten voorwaarts joeg, met korte bewegingen van voeten en armen, àl dichter de wateringwoord genaaktewoord, àl dichter den dood toe. Thans scheidden hem nog slechts een twintigtal schreden van SanderkenSanderken.

Hij voelde hoe hem de krachten begaven.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl