— Op een waterkant, dochter Katrijne
.
— Heel mijn keuken wordt vuil. Trek rap
uwe schoenen en
kousen uit, en dien toog
, boven. Ik kuisch
hem dadelijk en lang
u den andere. Een stonde
verleên
liep mij op de koer
een rosse
kater tusschen de beenen. Zoo entwat
spelt ramp. En daar hebt
ge 't al.
— Ter wereld, Katrijne-dochter
, ge merkt het, draait alles zijn
noodlottigen gang. Schuw katers, Katrijne
, zegde Pastoor Poncke
zich van zijn schoeisel en kousen bevrijdend. — Altegaar
modder.
Moer behelst geneeskracht, Katrijne
. Mogelijk kom ik alzoo van
mijne likdoorns af. 'Laas, ik vrees: want de mijne zijn duivelachtige;.
Breng mij lauw water, Katrijne
, want ik schaam mij, zoo
vies dat mijne voeten er uitzien…
Pastoor Poncke
begaf zich naar zijn slaapvertrek en Katrijne
bezorgde hem het noodige. Daarna ging hij in zijn boekerij
en
tracteerde zich op een extra kelk
wijn, oordeelende: pro hoc mihi debetur cyathus.1
En de stonden
vergingen en het werd diep in den avond alvorens
Pastoor Poncke
zich te bedde vlijde, daar hij een gansch
sermoen
,
hetwelk, als alle andere neergeschrevene, onuitgesproken zoude
blijven, voltooid had. Nauwelijks was hij in de duisternis neergelegen
en te na-dubben begonnen over de gevaarten van dien
dag of hij verbeeldde zich, een verdacht morrelend lawijt
te hooren,
buiten, aan de achterzijde der pastorij
entwaar
. Hij rocht
er
eensslags van in ongemak, wellicht uit oorzaak der doorstane belevenis,
daar hij zich gemeenlijk
niet door diergelijkheden
liet
ontwrichten. Hij dacht, onduidelijk, aan dieven en de hennen en
den haan Pieter
. Hij gleed de sponde
uit en liep behoedzaam
blootvoeteling naar het opgeschoven venster en spiedde
den
maanloozen nacht in. Hij werd korzelig op zichzelve en gispte
wijn toe.