bladzijde << 126 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

zich in den geest: … Ben ik nu, warempel, lijkwoord de ridder van de Mancha geworden om op niemendalwoord af te sluipen en mij te laten verschalken door een valschenwoord gehoorsindruk? De hof is de hof van al nachten, mijn pluimvee dommelt gezapig op stok en er schuurt wat wind langs de schuttingen. Ei, daar is het toch weêrom… het zal een losse plank zijn, het… Wat beweegt daar bij het kiekenkotwoord? Heere, daar stáát iemand… een dief, een vent, die het voorzeker op mijnen PieterPieter gemunt heeft! Hij houdt zich koest, misschien snuift hij onraad… Wacht, mijn vriend, voor dieven ben ik onverbiddelijk. Het achtste Gebod is heilig en wet. Wee den wetsovertreder, vriendschap!

En Pastoor PonckePoncke greep boog en pijl uit den vlak nabijen kamerhoek, zette den schichtwoord op, knielde, spànde en mikte grimmig op den snoodaard. Hij liet los en de pijl snorde den hof in, secuur het doel tegen, vertrouwde de schutter. Ha-ha, en hij tròf, dat was gewis. Er was ineenen geen spoor meer van hem waar te nemen? Gevallen? Waarschijnlijk, want hij had een licht gerucht gehoord, een soort plof. Dood? Welneen. De pijl bezat geen punt. De stoot had den dief ontsteld en hij zou verder wel maken, dat hij van zijn, Poncke'sPoncke, gebied kwam.

— Dat hebt ge ervan!, riep Pastoor PonckePoncke verbolgen in den hof. — Schaam u, een arme geestelijke te berooven! Ik heb u herkènd, verstaat ge, en gij zult zulks nader nog gewaarwordenwoord! Wat peìnstwoord ge wel!

En zijn gramtewoord aldus gelucht hebbende, plaatste Pastoor PonckePoncke zijn wapen terug in den hoek en trok voor de tweede maal te bedde en sliep tot Pieter de ConinckPieter hem wekte met groot geschal. Hij soesde nog een tijdeke na en réés pas als PieterPieter zijn tweede reveille klaroende.

Beneden vond hij de keuken ijdelwoord, maar den moeshof inschouwendwoord, zag hij er KatrijneKatrijne donker komen aantertenwoord met over

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl