bladzijde << 128 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

reden voor mij om mij contentwoord te voelen? Maar ik moet mijn miske gaan plegenwoord, KatrijneKatrijne.

Pastoor PonckePoncke zat aan de morgen-atewoord met KatrijneKatrijne alswoord de klopper van de pastorijwoord geduchtwoord lawijttewoord. KatrijneKatrijne ging openen, keerde terug:

— Eerwaarde, iemand van Sanderken TeirlinckSanderken, een gebuurwijfwoord. Of ge citowoord komt.

— Van SanderkenSanderken?, zegde Pastoor PonckePoncke opstaande. — Een gebuurwijfwoord, zegt ge? Dat is zonderling. Waarover loopt het, KatrijneKatrijne?

— Ze wilde het mij niet uiteendoen; zij moet ù hebben, zegde ze.

— Ik ga al, KatrijneKatrijne.

Pastoor PonckePoncke tordwoord de gang in. Iets in hem, hij wist niet juist hoe, verwittigdewoord hem, dat het met SanderkenSanderken niet in den haak was, dat er… Hij weigerde voort te denken.

De vrouw stond op den drempelarduinwoord, een schonkig wijfwoord met zwarte slordige haren en koolzwarte, eenigszins verwilderde oogen.

Goênmorgen. SanderkenSanderken heeft u gezonden?, vraagde Pastoor PonckePoncke onzeker.

De vrouw schudde het hoofd, ratelde er dan uit met een hooge, overslaande stem:

— O Mijn-Heer Pastoor, mijn herte staat stil van de alteratiewoord. Zoo entwatwoord heb ik nog nooit beleefd. Zijn muil is blauw lijkwoord een pruim en zijn tong hangt zóó ver uit zijn mond. Mijn vent vond hem, heeft den koord doorgeviggeldwoord. Hij was al dood.

Pastoor PonckePoncke voelde het bloed uit zijn aangezicht wegstroomen.

— Dat kàn niet!, stietwoord hij er bijtend uit.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl