reden voor mij om mij content
te voelen? Maar ik moet mijn
miske gaan plegen
, Katrijne
.
Pastoor Poncke
zat aan de morgen-ate
met Katrijne
als
de klopper
van de pastorij
geducht
lawijtte
. Katrijne
ging openen, keerde
terug:
— Eerwaarde, iemand van Sanderken Teirlinck
, een gebuurwijf
.
Of ge cito
komt.
— Van Sanderken
?, zegde Pastoor Poncke
opstaande. — Een
gebuurwijf
, zegt ge? Dat is zonderling. Waarover loopt het,
Katrijne
?
— Ze wilde het mij niet uiteendoen; zij moet ù hebben, zegde ze.
— Ik ga al, Katrijne
.
Pastoor Poncke
tord
de gang in. Iets in hem, hij wist niet juist
hoe, verwittigde
hem, dat het met Sanderken
niet in den haak
was, dat er… Hij weigerde voort te denken.
De vrouw stond op den drempelarduin
, een schonkig wijf
met
zwarte slordige haren en koolzwarte, eenigszins verwilderde
oogen.
Goênmorgen. Sanderken
heeft u gezonden?, vraagde Pastoor Poncke
onzeker.
De vrouw schudde het hoofd, ratelde er dan uit met een hooge, overslaande stem:
— O Mijn-Heer Pastoor, mijn herte staat stil van de alteratie
.
Zoo entwat
heb ik nog nooit beleefd. Zijn muil is blauw lijk
een
pruim en zijn tong hangt zóó ver uit zijn mond. Mijn vent vond
hem, heeft den koord doorgeviggeld
. Hij was al dood.
Pastoor Poncke
voelde het bloed uit zijn aangezicht wegstroomen.
— Dat kàn niet!, stiet
hij er bijtend uit.